Dierlijk herenleed

Sommige schrijvers zijn altijd zichzelf, als schrijver. Wat ze ook schrijven, hun zinnen zijn typisch hun zinnen. De toon, het tempo, de herhalingen of versnellingen, bij alles denk je: hé, dat is Armando. Want Armando is zo'n schrijver. Dus als hij voor kinderen schrijft, wat hij al wel eens vaker gedaan heeft (onder andere het onweerstaanbare De prinses met de dikke bibs) dan blijft hij ook gewoon Armando. Nu heeft hij, als Armando, Dierenpraat geschreven.

In Dierenpraat heeft een man, een meneer misschien wel, ontmoetingen met dieren. Het bijzondere is dat hij de dieren kan verstaan. Sommige dieren vinden dat ook bijzonder. Sommige dieren vinden het jammer dat het, nu er eindelijk eens iemand is die ze kan verstaan, nu net deze man moet zijn. `Ik praat graag, maar geen mens die me verstaat. En nou heb ik eindelijk 'ns iemand gevonden die mij verstaat en wat is dat voor iemand: een chagrijn.' Zegt een spreeuw. Het is nog waar ook. Vindt die man zelf tenminste wel `ik was een chagrijn, van kindsaf aan, daar kon ik niets aan doen'.

Die dieren, ik kan niet anders zeggen, het zijn eigenaardige types. Er is een leeuw die denkt dat hij niet doodgaat omdat hij `de koning der dieren is'. En niet alleen daarom, hij draagt ook een mantel en hij heeft een hoed op `dus me dunkt'. Er is een paard dat kan klokkijken maar dat verder nogal een warboel maakt van de conversatie. Er is een muis die nog niet binnen is of al begint te zeuren: eerst doet de man niet aardig genoeg tegen haar, daarna moet ze kaas, dan is ze weer beledigd. `Om de waarheid te zeggen: ik vond het een rotmuis.' Een interviewend hert, een dyslectische beer, een verongelijkte schildpad nee, dieren, daar kun je beter niet te veel mee te maken hebben. Rare lui zijn het.

Waarom zijn deze verhaaltjes nu zo typisch Armando? En waarom zou dat er trouwens toe doen? Het doet er toe als je van die typische stijl houdt. Ik houd ervan. Er zijn mensen die het een truc vinden of die er niet van houden. Die moeten Dierenpraat maar niet lezen, want dan zien ze steeds weer die truc of die zinnen waar ze niet van houden. Dan houden ze bijvoorbeeld niet van licht verslomende herhalingen, spreektaal gezwets dat de meeste mensen niet opschrijven maar Armando wel. Als het goed gedoseerd is, is het leuk.

Bijvoorbeeld:

``Maar wanneer ga ik dan dood?', vroeg de leeuw.'

``Op den duur', antwoordde ik, `na verloop van tijd, als de tijd daar is.'

Eigenlijk is dit een vorm van Herenleed, de dialogen die Armando met Cherry Duyns voor de televisie schreef en opvoerde. Armando was er altijd het kleine wat timide heertje in dat zich nogal op de kop liet zitten door de grote Duyns. Maar soms kon hij enorm uit de hoek komen. In Dierenpraat hebben de dieren ook meestal de overhand, maar omdat we ook te lezen krijgen wat de man van ze vindt, soms dan, lijkt hij veel minder het slachtoffer. Hij is de verteller, hij heeft ook zoveel afstand dat hij niet getroffen kan worden door klachten of onaardigheden. Behalve met de leeuw lijkt het met geen enkel dier erg gezellig.

Of dit echt kinderverhalen zijn zou ik niet weten. Ik denk dat ze voorgelezen moeten worden, telkens eentje tegelijk. Dat het dan verhalen zijn voor ouder en kind. Ik heb er nogal om gelachen, al is dit niet Armando's allerbeste boek. Dat hoeft ook niet. Gewoon goed is ook goed. Er staat wel een uitstekende verlanglijst in. Van een haas: `Of anders geef je me maar hoorngeschal, dat zou ik graag willen, of hoongelach, dat lijkt me ook wel leuk. Nee, ik weet het al, geef me maar een boekenkast, dan kan ik knap worden, nee, toch niet, ik wil een harnas, of nee, nou weet ik het, ik wil de horizon voor m'n verjaardag, ja, dat is het, ik wil de horizon.'

Armando: Dierenpraat.

Met tekeningen van Suzanne Janssen. Leopold, ƒ27,50