De zaak Hergé

Het is 1966. Heel West-Europa is veroverd door de Franse stripheld Asterix, en na twintig Kuifje-albums is de 59-jarige Hergé uitgekeken op zijn razende reporter. Onder zijn eigen naam laat Georges Remi een aantal van zijn `vrije' schilderijen aan een kunstkenner zien. `Als u uw stempel op deze eeuw zet, is dat met oostindische inkt,' oordeelt de connaisseur met profetische eerlijkheid. Hergé zal in de daaropvolgende decennia nog maar twee nieuwe Kuifjes publiceren, maar de invloed van zijn klare lijn is nauwelijks te overschatten.

Remi's aspiraties in de moderne kunst vormen een typerend hoofdstukje in De avonturen van Hergé, een biografie in stripvorm naar een scenario van José-Louis Bocquet en Jean-Luc Fromentas en met tekeningen van Stanislas (Barthélémy). In zestien korte episodes wordt een kritische beschrijving gegeven van de prestaties en karakterfouten van de in Etterbeek (Brussel) geboren Georges Prosper Remi Remi. Hoe hij via de katholieke padvinderij terecht kwam bij het ultrarechtse blad XXme Siècle van pater Norbert Wallez, en met het vervolgverhaal Kuifje in Rusland in het kinderbijvoegsel Le Petit Vingtième debuteerde. Hoe hij tijdens de oorlog bleef werken voor de `gestolen' krant Le Soir, maar in 1946 na een korte gevangenschap zijn eigen Tintin journal/ Kuifje weekblad mocht beginnen op voorspraak van de verzetsheld Raymond Leblanc. Hoe hij rokkenjaagde, bleef worstelen met zijn rechts-racistische verleden (Kuifje in Afrika!), en hoe hij in 1983 stierf als de meest geëerde stripmaker van de twintigste eeuw.

De makers van De avonturen van Hergé hebben de meester eer aan gedaan: de tekeningen zijn misschien niet zo perfectionistisch als die van Hergé, maar blinken uit door strakheid en heldere inkleuring. Bovendien zitten in bijna iedere episode subtiele verwijzingen naar de beroemde strips van Hergé. In een gebeurtenis uit Remi's boyscout-verleden zien we de geboorte van zijn eenpaginastrips over Quick en Flupke. Een bladzijde verder zien we Remi's vader en oom – een buitenechtelijk geboren tweeling – als de detectives Janssen en Janssens. Als Hergé zich voor Cokes in voorraad documenteert op een oceaanstomer krijgt hij een nachtmerrie die niet onderdoet voor de dronkemansvisioenen van kapitein Haddock. En op de laatste bladzij van het album wordt een scène uit De geheimzinnige ster (de spin voor de telescoop) verbonden met de dood van Hergé en de doop van een asteroïde met zijn naam.

Hergé was ten minste zo beroemd om zijn scenario's als om zijn tekeningen. Maar juist in het vertellen van een lopend verhaal zijn Bocquet en Fromental niet geslaagd. De fragmentarische opbouw van De avonturen van Hergé – 16 van de 75 levensjaren – zal de niet ingewijde lezer in verwarring brengen, evenals het optreden van sleutelfiguren uit Hergés bestaan die niet worden geïntroduceerd. De biografen hebben dit geprobeerd te ondervangen met een supplement in de vorm van een uitgebreide portrettengalerij. Het was beter geweest als dit overzicht van vrienden, vrouwen en familieleden aan het begin van het album had gestaan. Waarschijnlijk hebben de stripmakers daarvan afgezien uit piëteit tegenover Hergé: het begin van het album had dan te veel geleken op het `Even voorstellen...' dat traditioneel vooraf gaat aan de avonturen van Asterix – nog altijd de grootste concurrent van Kuifje.

Stanislas, Bocquet & Fromentas: De avonturen van Hergé (Les aventures d'Hergé). Uit het Frans vertaald door Mat Schifferstein.

Oog & Blik/ De Harmonie, 62 blz. ƒ29,95 (harde kaft)