De schrik huist in de kamer

Waarover gaan de gedichten van Eva Gerlach? Over teneergedrukt worden en weer opfladderen – voorzover poëzie tenminste ergens over gaat, en niet gewoon iets is. Gerlach, van wie twee weken geleden bekend werd dat zij de P.C. Hooftprijs krijgt, publiceerde vorig jaar Niets bestendiger. Deze bundel bevat een zomers vers waarin de dichter `bijna' met iemand `ergens' is, `liggend maar niet / in slaap, in gras met lucht bovenop ons.' Alsof de lucht je verhindert nog op te staan. In het laatste gedicht van de bundel gaat de wind tekeer dat het niet leuk meer is. `Wakker omdat een storm / groef in het dak', zo begint het, en dan even later:

() Hoorden een opwaarts

gieren of het huis werd leeggezogen,

ramen schoten open, brieven stoven

sjirpend de nacht in.

Ook hier drukt de lucht aanvankelijk op het leven, om vervolgens ongedurig op te wentelen. `Tussen minstens en niets was het dak nog / even een vlies. Het begon', zo besluit het gedicht (en de bundel), zonder punt en met het paradoxaal aan het eind geplaatste woord `begon'.

Wat begon? Het is niet duidelijk, en deze raadselachtigheid is typerend voor veel van Gerlachs poëzie. Fladdert de dichter met brieven en al, met het geschreven woord dus, omhoog in het niets? In elk geval hoort bij elk opvliegen vallen, wat bij haar van meet af aan een rol speelt. Al in haar eerste bundel, met de misleidend ironische titel Verder geen leed (1979) staat een schommelgedicht dat programmatisch is. Niet in poëticale zin – eerder als karakterisering van de thematiek die daarna kwam:

Je duwde me op totdat ik vaart kreeg. Wind

sloeg bij het naar voren zwaaien in mijn ogen,

terug was het of ze werden weggezogen

uit mijn gezicht. Beneden was ik blind,

boven een valk, die aan de hemel hing

en het land overzag, een bos als riet,

een toren als een zeil daarachter. `Spring'

riep je, en ik sprong. Je ving me niet.

Beneden is het kind blind, net als de dichter die 's nachts in bed bij de eerder aangehaalde regels weinig zal hebben kunnen zien. Boven registreert het scherp als een valk, een roofvogel die zich laat vallen – zoals een ander kennelijk het kind laat vallen in de laatste regel.

Vreemd genoeg is dit voor Gerlachs vroege poëzie cruciale gedicht niet opgenomen in de bloemlezing die onlangs verscheen uit haar eerste zes bundels, Voorlopig verblijf. Was zij niet tevreden over die toren `als een zeil daarachter'? Een ander, eveneens achtregelig schommelgedicht staat wel in dit boek, beginnend met `Het zwaaien gaat door boven je, verstand / staat erbij stil zo lang. Je mist benen'. Ook hierin het vallen en klimmen, net als in een gedicht waar de dichter als kind bij haar gelovige oma logeert, denkend aan God als het hoogste terwijl ze slaapt op een hellende bedbank. `De bedbank helde // naar mijn kant over' schrijft Gerlach, met een vermoedelijke allusie naar het woord `hel'.

`Je ving me niet' is de verbijsterde ontboezeming van een kind, bijna een aanklacht tegen wie haar hadden moeten beschermen. De eerste bundels van Gerlach maken wat dit betreft een nogal persoonlijke indruk. In een droom verschijnt moeder twee jaar na haar dood. Dochter vraagt haar te vertrekken, waarop zij zegt: `Ben ik je moeder niet, op wie je joeg (–)? Kom maar gauw op schoot.' Volgt slotregel: `Ik klom en klom maar god, wat was je groot.'

Diezelfde dubbelheid van afkeer en verlangen naar de ouders spreekt uit gedichten over de vader:

Mijn vader was een heer in een ver land.

Hij belde nooit meer op. Hij wou daar blijven.

Ik schreef zijn naam met ballpoint in mijn hand.

Toen hij mijn vriend was, kon ik nog niet schrijven.

Een volgend vers gaat verder en beschrijft incest: `Ik trok je alles uit. Je had hem staan. / ``Kijk eens wat Papa voor zijn meisje heeft?'' / O God dacht ik, maak dat hij eeuwig leeft. / Laat zijn grote benauwdheid overgaan.' Het zijn regels die me een ongemakkelijk gevoel geven – niet vanwege een mogelijke verwijzing naar de werkelijkheid maar omdat het onderwerp, evenals zelfmoord of martelen, te groot is om het op deze manier in poëzie te benaderen.

Tien jaar later krijgt de spanning tussen afstand en verwantschap met ouders veel overtuigender vorm. In het hierboven afgedrukte `Terug' uit de bundel Domicilie (1987) keert de dichter weer naar de ouderlijke woning. Het gedicht maakt een dreigende indruk, aangezien zoveel impliciet blijft: het beweert niet, het suggereert. Allereerst is de enorme omvang van het huis suggestief, dat geen eenheid is maar een helft, en dan nog wel de helft van een vleugel. (Wat trouwens weer aan dat fladderen doet denken, en de onmogelijkheid echt op te stijgen.)

In welke kamer huist die schrik? Dat moet wel de slaapkamer zijn, met die spiegels en een kast met ochtendjas. Het is griezelig jezelf gespiegeld te zien in deze omgeving, en als daar dan een `kast van zwart' is, waarvan je in één adem vast stelt `dat hij daar hangt', dan rijzen de haren je te berge. `Hij' is de ochtendjas, maar een ogenblik denk je toch dat het een man is – vader? Dan wordt `Ik trek hem aan, ik groei in al haar leugens' ook akelig ambigu.

Goed is verder hoe al die dubbelheid spreekt uit het rare gebruik van `zwellen' en `groeien'. De natuurlijke groei van het voormalige kind heet `zwellen' wat je eerder met ziekte en dood verbindt, terwijl het kind groeit in het onnatuurlijke, de leugen. Van normaal opgroeien is geen sprake, wat eveneens blijkt uit de beklemmende slotregel, waarin `wij, die nooit gescheiden waren' één worden. Hoezo `worden', als het altijd al zo was? Vanwege het inzicht denk ik, de tegen heug en meug gedeelde ontgoocheling.

Er steekt ook iets magisch, of minstens iets bezwerends, in dit gedicht, dat vaker voorkomt in Gerlachs poëzie en dat mij soms aan Hendrik de Vries en Gerrit Achterberg doet denken. Een medisch onderzoek wordt ritueel (`Inkt merkt zijn huid. Een naald opent een vat'), en het gedicht `Vocabulair' heeft wat weg van de vloek uit een naar sprookje: `Dit is je oog. Dit is de zon. Dit koude / dat aan je trekt, is tocht door het open raam. / Dit is water, waarin je altijd past.'

Volgen nog gasfornuis en broodmes, en de slotregel, dat die dingen vandaag of morgen `hun zin' krijgen. Niet alleen de dreiging van verdrinken, stikken en met een mes gestoken worden, maar ook dat de dingen het gaan doen omdat ze het willen (hun zin krijgen) maakt de bezwering tot ongrijpbaar gevaar.

Misschien is het de lust tot bezwering die Gerlachs belangstelling voor foto's verklaart. Hoewel gedichten over foto's een riskant genre vormen daar het al zo vaak is gedaan, zie je bij haar hoe foto's niet een tafereeltje vastleggen – ze doen eerder iets. Of liever, ze proberen iets af te sluiten of te voorkomen. In de bundel Dochter (1984) richt de dichter zich bijvoorbeeld naar aanleiding van een foto tot haar dochter en herinnert zich de kinderwagen met de kap omhoog (`de hemel in de hoogste stand'). En de angst dat die wagen naar beneden glijdt:

Nooit hou ik op te kijken hoe het veert

terwijl je, wind mee, zachtjes krakend van

de lichte helling naar beneden rijdt.

Het drukt je neer, deze gedichten, en het laat je opveren. Wind mee helling af race je het gevaar tegemoet.

Eva Gerlach: Voorlopig verblijf. Gedichten 1979-1990.

De Arbeiderspers, 108 blz. ƒ29,90