De man heeft het maar moeilijk

Susan Faludi baarde in 1992 opzien met haar boek `Backlash', over de anti-feministische reactie die zij waarnam in de VS. Nu is er het vervolg, waarin ze het juist opneemt voor de man.

Terwijl Susan Faludi's laatste boek voor me ligt, een vuistdikke studie over de `crisis van de mannelijkheid', bewijst het televisie-nieuws prompt de relevantie van het onderwerp. In Duitsland heeft een 34-jarige man zeven mensen doodgeschoten onder wie een 19-jarig meisje en haar ouders. Het meisje weigerde met hem te trouwen, vandaar.

Het is geen uitzonderlijk bericht. Neem de mannen en jongens die in Amerika en Schotland met mitrailleurs schoolklassen neermaaiden, een vorm van geweld die in Nederland voor het eerst onlangs te Veghel de kop opstak. Neem de reeks kindermoorden van de afgelopen jaren door vaders wier vrouw hen had verlaten. Neem het `zinloos geweld', dat steevast geweld door mannen is, zoals voetbalvandalisme, de vernielzucht van provinciale vrijgezellen die in Amsterdam komen feesten en de criminaliteit van Marokkaanse `jongeren' ook allemaal mannelijke criminaliteit is. Waar in rapporten, nota's en kranten `probleemjongeren' staat, leze men: probleemjongens.

Maar de `crisis van de mannelijkheid' waarop Faludi doelt, betreft niet louter geweld. Het tegenovergestelde – de moderne mannenkleverigheid zoals die valt waar te nemen in het Big Brother-huis: zoenen, omhelzen, huilen, sentimenteel vertoon – laat zich even goed in haar diagnose passen. Faludi interpreteert gewelddadigheid namelijk niet als uitvloeisel van testosteron maar van een identiteitscrisis. Als een product van sociaal-historische omstandigheden dus.

Anti-man is haar nieuwe boek dan ook niet. Sterker nog: het heeft in Amerika nogal opzien gebaard dat deze journaliste, die in 1992 de bestsellerlijsten haalde met Backlash, een vlammende aanklacht tegen de `oorlog tegen vrouwen', nu een invoelend boek heeft gepubliceerd over de treurige toestand van de hedendaagse man. De titel Stiffed, die associaties oproept met bedrog, stijfkoppigheid, een erectie en het lijk in een hard-boiled detective, drukt fraai de dubbelzinnigheid uit die het boek beschrijft: tegelijk adjectief en voltooid deelwoord, met de man als lijdend voorwerp.

Moderne mannen zijn volgens Faludi massaal angstig, boos en gedesoriënteerd. Dat concludeert zij na een zesjarige speurtocht naar zulke uiteenlopende verschijnselen als de sociaal-therapeutische (en blank christelijke) `Promise Keepers', de (zwart islamitische) `Million Men March', de gangsta-rap, de porno-industrie, tv-dominees, reclamecampagnes, en naar het explosieve gebruik van Viagra, kosmetische chirurgie, vitaminepillen, spierversterkers en zonnebanken door een type man dat in hedendaags marketingonderzoek wordt aangeduid als de `Boze Witte Man'.

Faludi's `moderne man' kan stoere tatoeages dragen of lievige oorringetjes, een paardenstaart of een modieuze coupe; hij kan `communicatie-deskundige' zijn of sportheld, astronaut of porno-acteur, moslim of christen – maar boos is hij. Op vrouwen. Soms op `krengen' als Hillary Clinton die hem willen castreren door het vuurwapenbezit aan banden te leggen. Ook nogal eens op een ex die er de brui aan gaf. Zelfs impotentie wordt geweten aan het feminisme, of zoals sommigen zeiden: de `feminazi's'. Maar even vaak is er een diffuus ongenoegen. Veel van Faludi's gesprekspartners hadden naar hun gevoel nooit echt zeggenschap gehad over hun levens. Opgegroeid met de mythe dat mannelijkheid gelijk staat aan `alles onder controle hebben', verdragen ze dat slecht.

Anders dan die mannen zelf, meent Faludi dat hun ongenoegen niet het gevolg is van de vrouwenemancipatie sinds de jaren zestig, maar van het wegvallen van allerlei maatschappelijke verbanden waarin mannen een duidelijk publiek nut hadden. Dat nut, de pendant als het ware van moederschap, kwam tot uitdrukking in levenslange loyaliteit aan een publieke zaak – een dorp, een bedrijf, de school of de sportclub. Aan een team. Maar de toegejuichte sportsterren verlieten de plaatselijke voetbalvereniging op zoek naar het grote geld en bedrijven willen vandaag de dag liever flexibele dan getrouwe werknemers.

Toewijding en verantwoordelijkheid veranderden zodoende van mannelijke deugden in eigenschappen van watjes. In de consumptiemaatschappij blijkt mannelijkheid niet meer uit daden of karakter, maar wordt hij tentoongespreid, en zelfs opgevoerd als vertoning. Niet wat een man is telt, maar hoe hij `overkomt'. Mannen vallen ten prooi aan ijdelheid en zelfs aan anorexia nervosa. Zie de pruilkopjes op modefoto's.

Faludi's analyse omvat, zij het nogal chaotisch, zo'n drie generaties. Ze voert de lezer terug naar de roemrijke jaren tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De periode dat God's own country de baas was over de wereld, de ene aartsvijand de andere opvolgde en de bewapeningsindustrie bloeide. De tijd dat een heel legeronderdeel op zoek ging naar private Ryan en jongens zich plichtsgetrouw opofferden voor hun land, belichaamd in een vaderlijke sergeant. Toen de frontsoldaten terugkeerden en vervolgens zelf vader werden, lag de wereld aan hun voeten. Vrouwen werden na gedane zaken in de oorlogsindustrie weer ontslagen uit de fabrieken en trouwden veteranen, die voorrang kregen bij werk en opleidingen. Terwijl ze samen naar John Wayne keken, stelden die naoorlogse vaders hun zonen in het vooruitzicht dat ook zij ooit het masculiene koninkrijk zouden betreden.

Maar zo ging het niet, vervolgt Faludi. De Russen veroverden de ruimte, de ouderwetse industrie kromp in en de welvaartsstaat veranderde in een `commerciële gevangenis'. Bovendien veranderde de arbeid van aard. Faludi toont de deprimerende gevolgen van de sluiting van oude industrietakken, werk waar nog met z'n allen iets werd gemaakt. Wat vaders nu doen, valt slecht over te dragen: het elektronisch verplaatsen van informatie of het managen van ondergeschikten die al even vage taken verrichten, spreekt nu eenmaal minder tot de verbeelding dan het bouwen van huizen of het sjouwen van hout in de haven.

De vaders wonnen hun oorlog, de zonen verloren hem. Hun desillusies worden gesymboliseerd door het contrast tussen de glorieuze thuiskomst van 1945 en de smadelijke terugkeer uit Vietnam naar vrouwen die zich niet meer naar huis lieten sturen. Het `verraad' uit de ondertitel is alom: vaders, vrouwen, collega's, sporthelden, werkgevers, de natie – zij allen hebben `de moderne man' in de kou gezet.

Stiffed, zoveel is duidelijk, is een ambitieus werkstuk met een maatschappelijke moraal. Het staat in de grote traditie van normatieve Amerikaanse cultuurkritiek, die eerder prikkelende werken opleverde als David Riesmans The Lonely Crowd (1950), C. Wright Mills' White Collar (1951) en Christopher Lasch' The Culture of Narcissism (1979). Ook het psycho-analytisch getinte werk van Erich Fromm komt in de herinnering.

`Vervreemding' – het woord valt net niet, maar over dat aloude marxistisch-psychologische begrip gaat het hier eigenlijk, zij het dat daarin (en in bovengenoemde studies) de factor ontbrak die bij Faludi nu juist centraal staat: sekse, oftewel gender. Faludi integreert in haar boek maatschappij- en genderkritiek.

Maar dat is tegelijkertijd waar de schoen wringt. Evenmin als de historicus Lasch, wiens klacht over het verdwijnen van de traditionele, vaderlijke overdracht van vaardigheden haar duidelijk inspireerde, ontkomt Faludi aan een nostalgische toon. Zoals een Amerikaanse criticus opmerkte: `Susans droomman leefde lang, lang geleden.' Een van de weinige `echte mannen', tevens een van de zeldzame humane exemplaren in haar mannenparade, is een hoogbejaarde vakbondsman en activist voor gelijke rechten. Faludi is bovendien een feministe en de vooruitgang van vrouwen is nu eenmaal onverenigbaar gebleken met de ouderwets-linkse romantiek en heroïek, die onder meer mannelijk kostwinnerschap inhield, en een afhankelijke echtgenote.

Die ideale man heeft nooit bestaan. Het beeld dat Faludi van hem oproept – een mengeling van Humphrey Bogart en Paul Robeson – romantiseert een misschien strijdbaar maar in elk geval vrouwonvriendelijk verleden. Die neiging mag gezien de context van Amerika's benarde koude-oorlogsjaren begrijpelijk zijn, romantisering is nog steeds vervalsing. Daarop wijzen ook Faludi's bewondering voor presidentskandidaat Henry Wallace, wiens banden met de stalinistische CP-USA onvermeld blijven, en haar nostalgische voorkeur voor collectivisme boven individualisme.

Dit soort kritiek wordt onvermijdelijk opgeroepen door het typisch Amerikaanse genre waarin Faludi werkt. Boeken als Stiffed en The Culture of Narcissism inspireren door hun grote greep. De intelligentie en creativiteit waarmee uiteenlopende, herkenbare verschijnselen worden verbonden en de kracht waarmee een cultureel panorama wordt opgeroepen, werken als eye-openers. In de huidige woestijn van veilige deelonderzoekjes en met aplomb gepresenteerde mini-gedachten is dat een al te zeldzaam genoegen. Je wordt aan het denken gezet.

Maar dan blijkt al gauw de empirische zwakte. De theorie is té sluitend. De ambitie om tal van zaken verschijnselen onder één noemer te brengen en te verklaren leidt tot reductionisme; de charme van de grote greep verkeert in zijn tegendeel. Want hoe zitten die verbanden dan precies? En voor wie geldt dit nu eigenlijk? Welke oplossingen biedt zo'n alomvattende visie als je niet simpelweg wilt suggereren dat `vroeger' mooi was? En wanneer was dat vage `vroeger'? Bovendien gaat, net als dat bij voorgangers als Lasch het geval was, Faludi's nu eens zalvende dan weer bezwerende toon op den duur irriteren.

Afgezien van die empirische bezwaren, kun je de vraag stellen hoe relevant Faludi's crisistheorie is buiten Amerika. Mannen leiden collectief bezien overal nog altijd riantere levens dan vrouwen, maar het is als met de Zuid-Afrikaanse blanken: het verlies van `vanzelfsprekende' privileges is een hard gelag. Ook Nederlandse mannen moeten, nu ze als kostwinners overbodig aan het worden zijn, een nieuwe bestaansmodus vinden en op nieuwe gronden liefde en respect verwerven. En ook hier verlaten voetballers hun club zodra elders meer te halen valt, en krijgen tegenwoordig ook mannen steeds minder vaak een baan voor het leven.

Toch zijn wij getuige van een wonderlijk nette omwenteling. Hoe moeizaam en weerspannig ook, Nederlandse mannen lijken zich redelijk geweldloos aan de nieuwe seksenverhoudingen aan te passen. Vooralsnog leidt de gender-revolutie van de laatste kwart eeuw veeleer tot hoge echtscheidingscijfers en burn-out op de werkvloer dan tot schietpartijen.

Voor allerlei specifieke groepen en culturen echter waar rigide opvattingen heersen over masculiniteit, zoals voetbalfans en uitgaanspubliek, biedt Faludi's verklaringsmodel echter beslist aanknopingspunten. De sociale en emotionele dynamiek van vaders die zonen opvoeden als prinsen maar vervolgens hun beloften van maatschappelijke status of zelfs maar mannelijke suprematie niet kunnen waarmaken, is een herkenbare bron van woede en geweld onder Turkse en Marokkaanse jongens. In Veghel lijkt het te zijn gegaan om het (be)vestigen van mannenmacht door het met harde hand opeisen van het beschikkingsrecht over vrouwelijke verwanten. Het NOS-journaal noemde de eerder vermelde Duitse schietpartij een `raadsel', omdat de man, eveneens een Koerd, `al getrouwd was en vier kinderen had'. Dat is naïef: waarschijnlijk verviel de man niet tot razernij doordat een authentieke behoefte onvervuld bleef, maar doordat hem iets werd ontzegd waarop hij meende aanspraak te mogen maken: een vrouw, de hoeveelste dan ook.

Wat de lezer door Faludi's generatiemodel eens te meer beseft, is hoezeer de oorlogsverledens van de naoorlogse vaders in de Verenigde Staten en in Nederland verschilden; het gevoel dat de wereld aan hun voeten lag, was niet het levensgevoel van onze wederopbouwgeneratie, om nog maar te zwijgen van de joodse overlevenden en het voormalig verzet. Vergelijking van wat dat verschil heeft betekend voor de genderidentiteiten van latere generaties zou interessant kunnen zijn.

In haar rijkdom aan bronnen, haar observaties en sfeerschetsen bevestigt Pulitzer Prize-winnares Faludi bovendien haar faam als geëngageerd sterreporter. Zo hing ze een tijdje rond bij een Californische bende. Leden van de gang werden aangeklaagd voor misdaden tegen vrouwen, waaronder verkrachting van een 10-jarig meisje. Als Faludi met hen in een cafetaria zit, zien ze in elke vrouw een willig object, in elk gebaar en elke blik een uitnodiging. Ze zijn bezeten van seks maar er tegelijk door verveeld. Het was hen, verklaarden ze achteraf hun wangedrag, niet gegaan om de meisjes zelf maar om te scoren in een jongenswedstrijd: één punt per verse neukpartij. Meisjes zijn toch maar no-names, waardeloze wezens. Het 10-jarige meisje was `een hoer'. Maar, volgt daarop meteen verongelijkt: ze hebben wel de macht; als je aan ze komt, klagen ze je aan.

Onder andere deze gang-leden leveren Faludi de sleutel tot een bevredigender verklaring van het mannelijk ongenoegen dan simpelweg de oorlog tussen de seksen. Seks was pas opwindend geworden, legde een van de geïnterviewde bendeleden uit, toen hij het had gedaan terwijl er een pornofilm draaide. Hij was de handelingen uit de film zo nauwkeurig mogelijk gaan nadoen en daardoor leek hij zelf wel een acteur. In dezelfde lijn ligt de enige toekomstdroom van deze jongens: beroemd worden. Net als de twee blanke scholieren die in april van dit jaar dertien mensen doodschoten op de Columbine High School in Littleton, Colorado, en die vóór hun daad op homevideo speculeerden welke regisseur hun gruweldaad zou verfilmen: Spielberg of Tarantino.

En daar zijn we bij de blanke pit van Faludi's sombere diagnose: wij leven in een celebrity-samenleving, een cultuur die draait om beroemdheid, waarin uiterlijk gaat boven innerlijk en het verwerven van individuele roem hoger wordt gewaardeerd dan het streven collectief iets tot stand brengen.

Die toestand is zorgelijk, maar niet fataal. Er is een uitweg. Faludi ziet een parallel tussen de situatie van mannen nu en die van vrouwen in de eerste decennia na de oorlog. Toen leden vrouwen onder gevoelens van leegte en overbodigheid en waren zij het doelwit van commerciële verleiding. Maar vrouwen zijn zich met het feminisme juist gaan onttrekken aan een definitie van vrouwelijkheid als `steeds langere valse wimpers'. In plaats van hun heil te zoeken in meer glamour, eisten ze verantwoordelijkheid en het recht op nuttige, betekenisvolle levens. Waarom zouden mannen het vacuum niet ook kunnen vullen met andere dingen dan uiterlijk vertoon of geweld?

In het licht van deze historisering van seksuele identiteiten is het des te verwonderlijker dat Faludi bijna tot haar laatste pagina vasthoudt aan het traditionele concept `mannelijkheid'. Mannelijkheid en vrouwelijkheid bestaan niet: het zijn constructies – mythen en voorschriften waarmee wij benoemen hoe personages in specifieke situaties zich gedragen of volgens ons zouden moeten gedragen. In werkelijkheid bestaan er slechts mannen en vrouwen.

Volgens mij wil Faludi zeggen: laat vallen, die masculiene maskerade. Word gewoon mens.

Susan Faludi: Stiffed. The Betrayal of the Modern Man. Chatto & Windus, 662 blz. ƒ44,95