Altijd een balling

Het overwicht van de westerse kunst spreekt niet langer vanzelf. Wat niet wil zeggen dat niet-westerse kunst het makkelijk heeft.

Zijn leven lang woonde de dichter Jean-Joseph Rabéarivelo op Madagascar, het grote eiland voor de zuidoostkust van Afrika. Zoals iedereen in de Franse kolonie kreeg hij onderwijs in het Frans – tot en met de lagere school, want zijn familie was te arm om meer onderwijs te bekostigen. Rabéarivelo had een onverzadigbare honger naar literatuur en leerde zichzelf Engels, Portugees en Spaans. Hij vertaalde traditionele Madagaskische gedichten in het Frans, en in Zuid–Amerika publiceerde hij de Spaanse dichtbundel Vientos de la mañana.

De Afrikaanse dichter, die een bewonderaar was van Rimbaud, Mallarmé en Valéry en zichzelf als hun geestverwant beschouwde, wilde niets liever dan een bezoek brengen aan Parijs. Toen in 1924 zijn eerste Franse dichtbundel in Parijs verscheen, was de avantgarde in Europa tot volle bloei gekomen, met Parijs als kloppend hart. Geïnspireerd door de primitieve kunst uit Afrika hadden kubisten en expressionisten een nieuwe beeldtaal ontwikkeld. Jaren achtereen probeerde Rabéarivelo een visum voor Frankrijk te krijgen. Hoewel hij talrijke gedichten en artikelen in Frankrijk, België en Oostenrijk publiceerde is hem dit nooit gelukt. In 1937 benam hij zich diep teleurgesteld het leven.

Okwui Enwezor vertelt de geschiedenis van Rabéarivelo in de catalogus van Kunstwelten im Dialog, een grote tentoonstelling van wereldwijde 20ste eeuwse kunst in Museum Ludwig in Keulen. De in New York wonende Nigeriaan Enwezor is schrijver en tentoonstellingsmaker, en artistiek directeur van de komende Documenta in Kassel in 2002. Zijn essay – één van de tientallen in het lijvige boekwerk – is een scherpe aanklacht tegen het Westen dat nog steeds de hegemonie voert over de wereld, niet alleen in economisch en technologisch opzicht maar ook op het gebied van de kunst.

Volgens Enwezor leven alle niet-westerse kunstenaars in ballingschap, niet alleen degenen die (al dan niet vrijwillig) naar het Westen zijn verhuisd, maar die nog in hun geboorteland wonen. Om aandacht op zichzelf te vestigen moeten ze voldoen aan westerse kunstnormen. In de ex-koloniale landen zijn ze verdreven uit hun eigen levensruimte van taal, zeden en gebruiken, religie en geschiedenis. Enwezor verwijt ons dat we het werk van duizenden niet-Europese kunstenaars, zoals Rabéarivelo, hebben geweerd uit het ontstaan van de moderne kunst en hij pleit voor het herschrijven van het Modernisme vanuit een nieuw en onbevooroordeeld perspectief. Enwezor is woedend; dit belooft wat voor de komende Documenta.

Biënnale

De tentoonstelling in Keulen is een tweeluik. Een uitgebreid historisch overzicht toont de invloed van niet-westerse culturen op onze kunst, vanaf de schilderkunst van Gauguin en Picasso tot de Informele schilderkunst van de École de Paris in de jaren `50 en '60. Het tweede deel is een presentatie van hedendaagse kunst, met 116 werken van 55 kunstenaars uit de hele wereld. Het is niet de keuze van de werken die de tentoonstelling in Keulen interessant maakt. Een prachtig historisch overzicht was in 1984 de expositie Primitivism in 20th Century Art in het Museum of Modern Art in New York; Kunstwelten im Dialog voegt hier weinig aan toe. Het hedendaagse deel was eerder en uitgebreider te zien op de expositie Magiciens de la Terre, in 1989 in het Centre Pompidou, en wat de meest recente kunst betreft op de Biënnale van Harald Szeemann in Venetië afgelopen zomer.

Het bijzondere van Kunstwelten im Dialog is dat hier voor het eerst de geschiedenis van het ontstaan van de moderne kunst is samengebracht met de kunst van deze tijd. Of het nu door de boze woorden van Enwezor komt of door de vrolijke chaos van de hedendaagse wereldkunst, in Keulen lijkt de vroeg 20ste eeuwse kunst plotseling muf en verdacht. De mentaliteit van westerse kunstenaars is de laatste twintig jaar radicaal veranderd. Terwijl tot ongeveer 1970 de niet-westerse kunst alleen maar als uiterlijke vorm relevant was en geïntegreerd werd in het Modernisme, is er in de afgelopen decennia een gelijkwaardiger uitwisseling ontstaan tussen `zij' en `wij'. Veel westerse kunstenaars trekken als nomaden de wereld rond op zoek naar contact met andere culturen. Voorbeelden zijn Francesco Clemente, Alighiero e Boetti, Michael Buthe, Wolfgang Laib en Marcel Odenbach. Andersom praten `zij' plotseling terug. Er is een regelrechte invasie gaande op de kunstmarkt en op kunstacademies van jonge beeldende kunstenaars uit China, Japan, Iran, Afrika, Zuid-Amerika, van zwarte bevolkingsgroepen in Noord-Amerika, letterlijk overal vandaan. Over de hele wereld ontstaan nieuwe Biënnales – in Johannesburg, Istanbul, Cairo, Kwang-Ju in Korea - waar internationale kunst zij aan zij wordt getoond met lokale kunstuitingen.

Natuurlijk, de vroege experimenten van Picasso, die in 1907 de Afrikaanse kunst ontdekte en kort daarna zijn meesterwerk Les Demoiselles d'Avignon schiep, blijven indrukwekkend, evenals bijvoorbeeld de naakte houten dansende figuren van Kirchner, de mysterieuze en tegelijkertijd humoristische totempaal-sculpturen van Brancusi, en de surrealistische, half-religieuze beelden van Max Ernst. Deze kunstenaars vonden iets in de primitieve kunst dat volgens hen in onze cultuur verloren was gegaan: zuiverheid, onbedorvenheid, een nabijheid aan de oerbron van het menselijk bestaan. Niet toevallig vielen de `ontdekking' van de primitieve kunst en van het onderbewuste ongeveer samen, psychoanalyse en etnografie gingen hand in hand. Maar de mythe van oorspronkelijkheid heeft zichzelf inmiddels overleefd, en daarmee is de aantrekkingskracht van de primitieve esthetiek voor een groot deel verloren. De paradijselijke taferelen van Gauguin en Nolde betoveren niet langer, maar zijn nu de uitdrukking van een egocentrisch eenrichtingverkeer.

John Cage

Er was een groep van kunstenaars die zich al in de jaren zestig verzette tegen deze eenzijdigheid en die zocht naar een gelijkwaardige dialoog tussen de culturen. John Cage, componist en beeldend kunstenaar, ontwierp een `Theory of inclusion', een soort synthese van Dada en Zenboeddhisme. De Amerikanen Cage, Robert Rauschenberg, Alan Kaprow en en de Japanner Nam June Paik organiseerden environments en happenings die achteraf bezien profetisch zijn voor wat zich op dit moment in de kunst afspeelt. In Keulen is van Paik, de oervader van de videokunst, een van zijn beste werken te zien, de Shigeko's Buddhas uit 1986. Een oude, kleine houten sculptuur van drie boeddha's op een bankje staat tegenover drie kleine videomonitoren. Zij bekijken zwijgend de fascinerende beelden van een dansende Merce Cunningham, van de performer Cage en van Marcel Duchamp pratend over zijn werk.

Hedendaagse kunstenaars werken in een internationale beeldtaal van video–installaties, sculpturen gemaakt van afvalmaterialen en alledaagse voorwerpen, fotografie en film. Een wereldwijde lingua franca die verspreid wordt via de elektronische media, en waar alleen de traditionele schilder- en beeldhouwkunst geen deel van uitmaken. Veel van deze kunstwerken sluiten naadloos aan bij de ons vertrouwde moderne kunst. Zoals de fotowerken van de Chinees Zhang Huan, waar de kunstenaar zijn naakte lichaam bedekt met kalligrafieën of het karkas van een rund om zijn bovenlichaam drapeert. Of de installaties van oude T–shirts, posters, krantenknipsels enzovoort van Georges Adéagbo uit Benin. Het is nauwelijks te onderscheiden van onze eigen sociaal geëngageerde kunst.

Dit maakt de nieuwe wereldkunst problematisch. Want we ontkomen er niet aan een westers standpunt in te nemen, en juist dit (in onze ogen) aangepaste, half-westerse wekt achterdocht. Zoals bijvoorbeeld de houten beelden van de inmiddels internationaal bekende Jimmie Durham. Durham is in 1940 geboren in Arkansas en was als Cherokee lange tijd activist in de American Indian Movement.

Zijn beelden, gemaakt van oude stukken hout, textiel, gekleurde veren enzovoort, zijn mij niet Indiaans, niet authentiek genoeg – hoewel ik geen idee heb hoe zijn beelden er dan uit zouden moeten zien. En als Durham authentiek-Indiaanse beelden zou maken zouden ze waarschijnlijk helemaal niet terechtkomen op westerse kunsttentoonstellingen, maar eerder in een winkel bij een Indianen-reservaat waar we ze zouden afdoen als nep-Indianenkunst. Met andere woorden, Durham kan het eenvoudig niet goed doen.

Ontheemd

De kunstenaars uit de Derde Wereld moeten aan de ene kant recht doen aan hun lokale tradities en aan de andere kant een internationale kunsttaal leren om te kunnen produceren voor een westerse markt. En daarom noemen we hun kunst `hybride' en `ontheemd' en maken we ons zorgen over zoals het fraai heet `de decontextualisering van de kunst'. Zoals de Duitse filosoof Hans Belting schrijft in de catalogus: ,,Ieder westers derivaat komt ons verdacht voor, alleen al omdat we ons er schuldig over voelen dat we de andere culturen uit een gouden tijdperk hebben verdreven.'

Enwezor heeft ongetwijfeld gelijk wat betreft de westerse vooroordelen. Om het nog erger te maken: met veel hedendaagse westerse kunstenaars die zich laten beïnvloeden door andere culturen heb ik helemaal geen probleem. De installaties van de Duitser Wolfgang Laib, die stuifmeel verzamelt en beelden maakt van bijenwas, vind ik prachtig: ik zie hoe hij met zijn werk voortborduurt op minimal art en dat verweeft met een boeddhistisch bewustzijn. Bij Francesco Clemente bewonder ik de manier waarop hij een westerse schildertraditie samenbrengt met de Indiase schilderkunst. Niks hybride of ontheemd.

Misschien is het nog te vroeg om de niet-westerse kunst op artistieke merites te beoordelen. Misschien is het feit dát er kunst gemaakt wordt, op een autonome, vrije manier, en dat het Westen hiervoor open staat, vooralsnog belangrijker dan het produkt. Veel kunstenaars, zowel hier als daar, willen trouwens geen produkten leveren en zoeken naar manieren om aan de greep van de markteconomie en aan traditionele kunstinstellingen als het museum te ontkomen, bijvoorbeeld door tijdelijke of vergankelijke kunstwerken te maken. Eén ding is zeker: het vanzelfsprekende overwicht van de westerse kunst is definitief voorbij. Er is niet langer één grote moderne ontwikkeling, niet langer één perspectief. Er zijn tal van perspectieven, wereldwijd.

Dat dit prachtige dingen op kan leveren is te zien in de laatste grote zaal van Kunstwelten im Dialog. Hier hangen schilderingen van Clemente, onder andere zijn beeldverhaal Story of my Country (1990) en kleurrijke wandtapijten van de Italiaanse arte povera-kunstenaar Boetti naast het Alphabet Bété uit 1991 van Frédéric Bruly Bouabré (1921, Ivoorkust). Bouabré tekende met ballpoint en viltstift op karton 449 geestige pictogrammen van ieder 10 bij 15 centimeter, waarin hij de fonetische klanken van de taal van zijn volk, de Bété, heeft omgezet in beelden. Het is een tegelijkertijd humoristische en ontroerende poging om zijn taal voor de vergetelheid te behoeden, en tegelijkertijd de basis te leggen voor een universele, voor iedereen toegankelijke taal.

Kunstwelten im Dialog. T/m 18 maart 2000 in Museum Ludwig, Richartzstrasse 2-4, Keulen. Open: di 10-20 uur, wo t/m vrij 10-18 uur, za en zo 11-18 uur. Gesloten: maandagen, 24, 25 en 31/12, 1/1 en 2 t/m 7/3. Catalogus: 575 blz., 68 DM.