Zwarte bladzijde over de beurs

De commissie-Scholten is een van de commissies die het naoorlogs rechtsherstel hebben onderzocht met betrekking tot van joden geroofde goederen.

Eén commissie-Scholten, twee rapporten over de afwikkeling van joodse oorlogstegoeden door financiële instellingen en een wereld van verschil. Vorig jaar december stelde W. Scholten, voormalig vice-voorzitter van de Raad van State, in een interim-rapportage koeltjes vast dat het naoorlogs rechtsherstel van in de oorlog geroofde joodse goederen in grote lijnen correct was verlopen.

En een jaar later doet Scholten in het eindrapport een bewogen oproep aan de financiële wereld om een gebaar te maken naar de joodse gemeenschap.

Hoe is deze omslag te verklaren? Allereerst ging het vorig jaar om een interim-rapport, waarin de gevonden feiten tamelijk rauw werden gepresenteerd en is er nu een eindrapport waarin de feiten zijn gewogen en van een oordeel zijn voorzien. Verder lijkt Scholten zich de kritiek op de eerste versie van het rapport te hebben aangetrokken. Ten slotte beslaat het eindrapport een veel groter onderzoeksterrein, waarbij vooral de als laatste bekeken rol van de Amsterdamse effectenbeurs na de oorlog het eindoordeel van Scholten zwart lijkt te hebben bijgekleurd.

De commissie-Scholten is een van de onderzoekscommissies die ruim twee jaar geleden door de Nederlandse staat aan het werk zijn gezet om het naoorlogs rechtsherstel te bestuderen. De discussie over de joodse tegoeden bij Zwitserse banken, die grotendeels is afgerond met het eindrapport van de commissie-Volcker, leidde tot oprichting van de commissie-Van Kemenade om te onderzoeken wat er in Zwitserland nog te vinden zou zijn. Die constateerde al snel dat voor de financiële instellingen in Nederland een aparte commissie nodig was en die werd dan ook ingesteld onder voorzitterschap van Scholten.

Het interim-rapport van Scholten (met de banken als belangrijkste onderwerp) vorig jaar viel bijzonder slecht bij het Centraal Joods Overleg (CJO), dat een kritische notitie naar de Tweede Kamer stuurde. Scholten concludeerde dat de banken niet in ,,aanzienlijke mate en stelselmatig'' geprofiteerd hadden van de Duitse bezetting. De anonimisering van de onderzochte banken, de matige respons op de enquête en de lacunes in het onderzoek (rekeningen, kluisjes) wekten echter op zijn minst de schijn dat de banken met fluwelen handschoenen waren aangepakt. De toon van Scholten werd ook als `kil' ervaren door de joodse gemeenschap. Naar verluidt heeft minister Zalm, daartoe aangespoord door de Kamer, Scholten dan ook flink de oren gewassen.

Het gisteren verschenen eindrapport bestrijkt behalve de eerder onderzochte banken, octrooien en hypotheken nu ook de levensverzekeringen, de sociale uitkeringen en de effectenhandel. Bij de levensverzekeringen zijn 'geen ernstige gebreken' geconstateerd bij het rechtsherstel; wel zijn er lacunes gevonden in de gevallen dat de polisnemers overleden waren en geen erfgenamen kwamen opdagen. Over de gelden die daardoor niet zijn uitgekeerd heeft het CJO vorige maand een akkoord gesloten met de verzekeraars, die 50 miljoen gulden beschikbaar stellen.

Het oordeel van Scholten over de Amsterdamse beurs is aanzienlijk harder. Banken en commissionairs hebben zich verrijkt met de handel in joodse effecten en de beurs heeft na de oorlog de teruggave van joods bezit gefrustreerd. Dit ,,om regelingen, beleid en eigendomsbeslissingen af te dwingen die niet in overeenstemming waren met het Nederlandse rechtsgevoel en dat ook thans nog niet zijn''.

De historici De Jong, Van der Leeuw, Meihuizen en recentelijk Aalders hebben al eerder geschrevcen over deze wat ook de beurs nu betitelt als ,,zwarte bladzijde''. De waarde van het oordeel ligt nu vooral in het feit dat nu een officiële adviescommissie van de regering zich zo hard uitspreekt. Dat geldt ook voor de oproep aan de financiële wereld als geheel om een ,,gebaar'' te maken naar de joodse gemeenschap.

Wel nieuw in het onderzoek naar de effectenhandel zijn de bevindingen over het waarborgfonds, dat in 1953 is ingesteld om joden te compenseren voor hun gestolen aandelen. Het fonds had in 1976 een batig saldo, dankzij Duitse schadevergoedingen, maar toenmalig staatssecretaris De Goede verzweeg dat tegenover de Kamer die daarmee ,,onvolledig en onjuist'' is geïnformeerd. De Nederlandse staat stak zo ten onrechte 11,5 miljoen gulden in de zak.

De rol van de Nederlandse overheid komt op andere plaatsen in het onderzoek van Scholten meer ter zijde aan de orde. Zo werden voor veel joden tussen 1942 en 1944 geen premies afgedragen, waardoor zij na de oorlog hun uitkering misliepen. Ook is loonbelasting betaald over de (gedwongen) afkoopsom van de levensverzekeringen, zonder dat de polishouders ooit een uitkering hebben kunnen genieten.

Het zoeklicht in de tegoedendiscussie begint zich dan ook steeds meer te verplaatsen van de financiële wereld naar de Nederlandse staat. Zo heeft de commissie-Kordes (Liro-archieven) er vorig jaar al op aangedrongen om de door de staat berekende administratiekosten voor het rechtsherstel terug te geven aan de joodse gemeenschap. En het CJO steggelt al geruime tijd met minister Zalm over de teruggave van de gelden, waarmee de slapende polissen in 1954 door de verzekeraars zijn afgekocht.

Zalm heeft altijd gezegd pas over de rol van de Nederlandse staat te willen praten als alle onderzoeken zijn afgerond. Het wachten is dus op de commissie-Van Kemenade, de moeder aller onderzoekscommissies, die begin volgend jaar met een eindrapport komt.