Verlangen naar vrede

IN EEN SFEER van zeer groot optimisme, veel groter dan aan het begin van hun vredesoverleg in 1991, hebben Israel en Syrië gisteren hun onderhandelingen hervat. De race is zo goed als gelopen, suggereren deelnemers en waarnemers. Dat gisteren nog geen handen werden geschud, hoorde in de planning. De Israelische premier Ehud Barak achtte deze week een akkoord binnen enkele weken niet onmogelijk; de Syrische minister van Buitenlandse Zaken, Farouk al-Shara, was niet veel minder positief. Ook de Verenigde Staten, beoogde vroedvrouw van een vrede, tonen zich optimistisch. President Clinton noemde gisteren alleen al de hervatting van het overleg ,,een reusachtige stap''.

In vergelijking met het Israelisch-Palestijnse dossier oogt de inzet van de Israelisch-Syrische onderhandelingen uitgesproken simpel. Israel en de Palestijnen twisten over het bijbelse land van Israel en Jeruzalem, met zijn heilige plaatsen. Tussen Israel en Syrië speelt God geen rol, wat de zaak aanzienlijk vergemakkelijkt. Het gaat, tot de essentie teruggebracht, om de ruil tussen een niet historisch beladen stuk grond, de Golan, en vrede. Daar moet uit te komen zijn.

DE VRAAG DRINGT zich op: waarom zijn de twee landen er dan niet al meteen uitgekomen? Het antwoord ligt vermoedelijk bij de Syrische president, Hafez al-Assad. Deze werd algemeen een voorkeur toegedacht voor een toestand van geen-oorlog-geen-vrede, waarbij hij een figuur was die gevleid moest worden. Want vrede zou Syrië immers reduceren tot een doorsneeland in het Midden-Oosten en hemzelf tot een willekeurige leider van zo'n doorsneeland.

Maar deze zomer begroette Assad het aan de macht komen van Ehud Barak in ongekend warme taal. Nog in 1990 zwoer hij zijn `jihad' (heilige oorlog) tegen Israel voort te zetten ,,tot in de lengte der dagen''. Afgelopen juni echter prees hij Barak als een ,,sterk en eerlijk'' leider van een land ,,met een werkelijk verlangen naar vrede''.

Assad leek daarmee aan te geven tegen het eind van zijn eigen dagen serieus in vrede geïnteresseerd te zijn; Barak op zijn beurt heeft aangegeven de vaste prijs van Syrië, de hele Golan, te willen betalen. Toch is enige voorzichtigheid op haar plaats. Ten eerste is het pas zeker dat Assad inderdaad voor vrede heeft gekozen, als hij de overeenkomst heeft getekend. En ten tweede liggen er ook aan Israelische zijde problemen in het verschiet.

PREMIER BARAK MAG onomwonden voor een ruil van de Golan voor vrede hebben gekozen, dat geldt bepaald niet voor de hele Israelische bevolking, die wèl zal worden gevraagd in een referendum ja of nee te zeggen tegen een akkoord. Een aanzienlijk deel van de joodse kolonisten op de Golan is fel tegen opgave van het gebied gekant, maar het verzet daartegen is veel breder. De huidige situatie van economische malaise bevordert de stemming zeker niet. Barak heeft dus niet alleen met Syrië, maar ook met zijn eigen bevolking van doen. De gevolgen zijn niet te overzien als Syrië `ja', maar de Israeliërs `nee' zouden zeggen tegen vrede.