Studiehuis werkt averechts

De grieven van leerlingen tegen het studiehuis betreffen vooral de Tweede Fase met een overladen programma. Het studiehuis zelf blijken leerlingen wel een aardige instelling te vinden. Geen wonder, het is een alibi geworden om buiten schooltijd niets meer uit te voeren, meent Anton van Hooff.

De leerlingenstaking van 6 december heette tegen het studiehuis te zijn, maar bij doorvragen blijken de grieven van de actievoerders vooral de nieuwe bovenbouw, de Tweede Fase te betreffen. Het `overladen' programma daarvan zou zorgen voor een werkdruk waaronder de jeugdigen schier bezwijken. Prompt heeft Adelmund gehoor gegeven aan hun klacht. Het studiehuis vinden de leerlingen eigenlijk wel een aardige instelling. Deze sympathie is geen wonder, want het studiehuis voorziet hun van een alibi om buiten schooltijd niets meer uit te voeren.

Telkens blijkt het nodig uit te leggen dat de invoering van het studiehuis en de vernieuwing van de Tweede Fase niet identiek zijn. Aan de ene kant is het programma voor de bovenbouw, de Tweede Fase, drastisch omgegooid. Het is afgelopen met het shoppen in de supermarkt van de school. In plaats van een vrije pakketkeuze, zijn er nu vier gestroomlijnde mogelijkheden, de zogeheten profielen. Inhoudelijk lijken zij verrassend veel op de vier varianten die de oude HBS en het gymnasium hadden. De overeenkomsten met de oude degelijke schooltypen zijn niet toevallig, want een van de uitgesproken doelstellingen is de middelbare school zwaarder te maken. Het moet uit zijn met de `pretpakketten'. Zo zouden – voordat Adelmund ingreep – aankomende studenten binnenkort weer drie moderne talen kunnen lezen. Wie gelooft overigens dat één lesuur, pardon contactuur per week dat wonder tot stand brengt? Als het alleen om een verandering, misschien wel verzwaring van de exameneisen ging, was het probleem duidelijk. Maar de verandering van de stof is maar een van de drie veranderingen. Ook de manier van de stofbeheersing is omgegooid. Het gaat niet meer om kennen, maar kunnen.

Als lid van de vakontwikkelgroep Klassieke Talen en Klassieke Culturele Vorming heb ik meegemaakt hoe wij telkens op de vingers werden getikt als we de euvele moed hadden in het eindexamenprogramma kennis te eisen. Wisten we dan niet dat schoolkennis niets voorstelt in een maatschappij die door de informatietechnologie razendsnel verandert? Kennis verouderde alleen maar. Deze modieuze retoriek is voor zoete koek geslikt door de beleidsmakers.

Toen de leraren hun nieuwe lesroosters zagen, moesten ze wel even slikken. Voor de meeste 'oude vakken' is het aantal lesuren gehalveerd. Ja maar ze mochten ook niet in lesuren rekenen. Die een of twee uren die overblijven, zijn 'contacturen'. Daarbuiten worden de leerlingen geacht zelfstandig aan hun vak te werken in Keuze-Werk-Tijden. De school mag niet langer een 'leerfabriek' zijn, maar moet een werkplaats worden. In de studieruimtes moet het gonzen van activiteit door leerlingen, die niet gehinderd door orerende leraren zelf aan de slag gaan met taken die de leraren hebben ontworpen. De school wordt een 'studiehuis', een potsierlijke benaming, die associaties wekt met het praathuis van Fabeltjesland en het phrontisterion, het denkhuis van de antieke komedieschrijver Aristophanes, waarin hij sofistische charlatans les laat geven.

Waarom hebben zoveel scholen het studiehuis ingevoerd? Het hoefde niet. In de catechismus die de Stuurgroep Tweede Fase in 1996 verspreidde stond klip en klaar: `Strikt genomen is een school niet verplicht om een studiehuis in te voeren.' Vervolgens werd natuurlijk aangetoond dat een school die niet dit studieparadijs inrichtte, de boot miste. Jammer genoeg zijn er nauwelijks scholen die de moed hebben gehad de druk te weerstaan.

Het zal wel enige tijd duren voordat het stof dat is opgewerveld, gaat liggen en zichtbaar wordt wat feitelijk gebeurt. Voorlopig moeten we het dus doen met impressies. Die stemmen bepaald niet optimistisch. Mijn hoop dat het studiehuis toch ook veel goeds zou brengen, is onlangs de bodem ingeslagen toen ik op een bijeenkomst hoorde van de eerste ervaringen. Natuurlijk waren er de gelovigen die fenomenale successen te melden hadden: bij hen waren de Keuze-Werk-Tijden `schoolbreed' ingevoerd. Er heerste dan een fantastische werksfeer. Het was gewoonweg akelig stil in het hele schoolcomplex. Gevraagd waaraan de leerlingen dan werkten in deze heerlijke tussenuren, kwam de aap uit de mouw: aan wiskunde en het proefwerk van later op de dag of van morgen. Van studieplanning op korte, laat staan middellange termijn komt niets terecht, hoezeer de leraren ook vermaanden en controleerden. Van andere scholen kwamen dezelfde geluiden. Leerlingen gaan er in het studiehuis eenvoudig van uit dat ze geen huiswerk meer hebben. Geen wonder dat ze klagen over overbelasting: ze proberen in veel kortere tijd alles zo'n beetje af te hebben. In feite is dus de studiebelasting drastisch gereduceerd.

Diepe indruk maakte het relaas van een scheikundeleraar, een echt toegewijde docent. Hij sprak vanuit een langere ervaring, want zijn school is al drie jaar met het studiehuis bezig. Proefwerken die enkele jaren geleden over de hele linie nog voldoende werden gemaakt, lagen nu boven het bereik van de scholieren, hoewel ze werden geacht in vrijheid en zelfstandigheid veel verder te komen. De waarneming van die leraar beperkten zich niet tot de school, ze betroffen het leergedrag van zijn eigen kinderen. Die kwamen om twee uur 's middags thuis en waren `klaar'. Ze hoefden alleen nog hun tas voor morgen te pakken voordat ze zich op hun baantjes, hobby's en geliefden stortten. `Weet je wat het ergste is,' vertrouwde de scheikundeman mij na afloop toe, `je raakt het plezier in het leraarsvak kwijt.' Zal ook hij de school te rug toekeren, zoals zovelen doen die door de profeten van het studiehuis zijn uitgemaakt voor lesboeren?

Vooral Netelenbos had er als staatssecretaris van Onderwijs een handje van laatdunkend te spreken van de ouderwetse leraar, die de klas een uur lang stond toe te spreken. Daarmee gaf zij een karikatuur van `de' docent. Het orerende baasje kom ik als lerarenopleider bij mijn schoolbezoeken al sinds jaar en dag niet meer tegen. Het grootste deel van de `traditionele' les wordt door leerlingen gewerkt onder leiding en toezicht van de vakdocent. Zo is een voortgang van het leerproces gegarandeerd. Sommige scholen die voorlijk zijn geweest bij de invoering van het studiehuis, komen langs een omweg terug bij die manier van werken: door middel van verfijnde controlesystemen - met stempeltjes – vergewissen zij zich of de leerling zich in de Keuze-Werk-Tijd voor een bepaald vak wel onder de hoede van een competent docent stelt. En dan nog worden de studiebelastingsuren (SBU's) niet gehaald. Alleen die enkele school die haar leerlingen tot vijf uur in de namiddag binnen haar muren houdt, heeft de zekerheid dat zij aan hun taks komen.

De eerste balans van het studiehuis ziet er sinister uit. Docenten die voor kwaliteit stonden, verlaten ontmoedigd het onderwijs, aldus bijdragend aan het schrijnend lerarentekort. De staatssecretaris heeft niet het studiehuis op de helling gezet, maar simpeltjes wat van het programma afgedaan. En de leerlingen? Door hun staking op het feest van de Goedheiligman hebben zij bereikt dat zij nog minder schoolwerk hebben dan zij in het studiehuis doen.

Anton van Hooff is classicus.