Strategische pijpleidingen

De Kaukasus maakt deel uit van een gebied dat rijk is aan olie en gas. Het Westen kijkt met gretige ogen naar deze energievoorraden.

ONTDEKKINGSREIZIGER Marco Polo trof in de dertiende eeuw in Baku, de hoodstad van Azerbajdzjan, al een levendige handel aan in een oliesoort die voor hem nieuw was. Enthousiast schreef hij over ,,deze olie die niet geschikt is als voedingsmiddel, maar wel om te verbranden''.

Reizend in de richting van Georgië had hij een `fontein' aangetroffen die zoveel van de vloeistof omhoogspoot dat ,,er wel honderd schepen per keer'' mee gevuld konden worden. Van grote afstanden kwamen er mensen om het zwarte goud te halen, ,,omdat er in geen van de landen in de wijde omgeving olie was te vinden''.*)

Van offshore oliewinning had men toen nog geen weet. Vandaag is de Kaspische Zee een even geliefd als omstreden productiegebied voor olie en aardgas. Ook in Centraal-Aziatische landen als Kazachstan, Turkmenistan en Oezbekistan zijn lokale en Westerse maatschappijen met een Great Game bezig om de regio te laten concurreren met het Midden-Oosten. De Kaukasus speelt daarin een grote rol, omdat politici tot het niveau van de Amerikaanse president Clinton toe er veel voor over hebben om olie en gas via pijpleidingen buiten Rusland en Iran om naar de Westerse exportmarkten te transporteren.

Elk land dat zo'n leiding door zijn grondgebied laat leggen en een veilige transito van energieproducten garandeert, mag rekenen op geregelde inkomsten en werkgelegenheid. Een minder leuk aspect voor de oliesector is de macht die nationale overheden daarmee krijgen. Herhaaldelijk kwam het de afgelopen tien jaar voor dat landen als de Oekraïne en Tsjetsjenië, om druk uit te oefenen op Moskou, de kranen in olie- en gasexportleidingen dichtdraaiden. Maar intussen zijn bijna alle landen in de regio lid van het `Energie Handvest' dat dergelijke handelingen als doodzonde bestempelt. Dit handvest is er ter bevordering van Westerse investeringen in de Oost-Europese energiesector, waarbij vijftig landen zich hebben aangesloten.

In de jongste plannen voor nieuwe exportpijpleidingen vallen Azerbajdzjan, Georgië en Turkije in de prijzen. Iran komt er om politieke redenen niet voor in aanmerking; de VS handhaven nog steeds sancties tegen dit land. Rusland wordt gemeden omdat de olie- en gasproducerende landen die vroeger deel uitmaakten van de Sovjet-Unie, niet meer afhankelijk willen zijn van de grote broer in Moskou. Tsjetsjeniës traditionele rol als transitoland lijkt uitgespeeld door de oorlog met de Russen en Armenië wordt in de leidingtracés omzeild wegens de strijd om Nagorny Karabach.

Met wisselend succes werken consortia van bijna alle grote maatschappijen aan exploratie en productie in en rondom de Kaspische Zee. Volgens de jongste cijfers over bewezen en vermoede reserves is alleen Kazachstan al goed voor ruim 20 miljard vaten olie, meer dan er onder de Noordzee resteert. Azerbajdzjan, het oudste olieproducerende land ter wereld, zou over meer dan 8,5 miljard vaten olie beschikken, die voor het grootste deel onder de Kaspische Zee zitten. Kazachstan en Turkmenistan bezitten veruit de grootste aardgasreserves in het gebied ten oosten van de Kaspische Zee.

Vijf jaar geleden werden de Kaspische regio en de Transkaukasus nog met liefde omschreven als `een tweede Midden-Oosten'. Maar daar zijn de meeste olie-experts na een paar tegenvallers bij de exploratie van teruggekomen. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs raamde de totale olievoorraden in 1998 voorzichtig op 15 tot 40 miljard vaten, met nog eens 70 tot 150 miljard vaten als mogelijke extra reserves. Dat wijst op een grote rijkdom, al komen alleen al de totale bewezen reserves in het Midden-Oosten op bijna 700 miljard vaten. The Caspian kan volgens het IEA een ,,grote olieproducent in de marge'' worden, die net als de Noordzee zorgt voor meer stabiliteit en zekerheid in de wereldolievoorziening. Elke nieuwe olie- en gasprovincie van betekenis wordt door het agentschap omarmd. Hoe meer aanbieders op de energiemarkt, hoe minder afhankelijkheid van het roerige Midden-Oosten en van de kartelpolitiek van de OPEC.

De grote belangstelling van Westerse oliemaatschappijen bewijst de potentiële mogelijkheden van het gebied. Rusland en Iran voeren op de achtergrond een verbeten gevecht om de macht over de Kaspische Zee. Rusland en Kazachstan, gesteund door Azerbajdzjan, beschouwen dit water als een zee. In die definitie zouden ze elk recht hebben op een eigen sector, zoals de Noordzee tussen zijn kuststaten is verdeeld, en op de inkomsten uit energiewinning daarbinnen. Maar Iran en Turkmenistan zien de Kaspische Zee als een binnenmeer, waarvan de voorraden en inkomsten gelijkelijk en in overleg onder alle oeverstaten moeten worden verdeeld.

Vóór de tweede oorlog van de jaren negentig in Tsjetsjenië werd de olie uit de Kaspische zee nog grotendeels door Russische pijpleidingen via Grozny naar de Zwarte Zee gevoerd, vanwaar tankers voor verder transport zorgen. Een kleiner deel stroomt nog steeds via een leiding door Georgië naar Supsa aan de Zwarte Zee. Maar Turkije vreest voor grote milieuproblemen in de Bosporus, wil het vervoer per tanker verbieden en pleit voor transport per pijpleiding. Niet zonder reden: op 6 december liep er nog een Maltezer tanker aan de grond.

Turkije boekte een eerste succesje in zijn streven het belangrijkste doorvoerland te worden met de ondertekening op 19 november in Istanbul van een akkoord met Azerbajdzjan, Turkmenistan en Georgië. Deze landen vlassen op een nieuwe, `strategische' pijpleiding – die de afgelopen jaren krachtig is verdedigd door de Verenigde Staten – en de Kaspische olie uiteindelijk dwars door Turkije naar de havenstad Ceyhan aan de Middellandse Zee moet brengen. Clinton was bij de ondertekening aanwezig en prees het plan als ,,een verzekeringspolis voor de hele wereld''.

Maar of dit project, dat zo'n 3 miljard dollar aan investeringen vergt, echt van de grond komt is onzeker. Oliemaatschappij BP Amoco, de belangrijkste partner in het internationale consortium IAOC dat actief is in het Azerbajdzjaanse deel van de Kaspische Zee, is slechts bereid de pijpleiding mede te financieren als er geld mee kan worden verdiend. Volgens een bron bij IAOC wordt het project pas rendabel als er 8 tot 10 miljard vaten olie (van 159 liter per stuk) getransporteerd kunnen worden. Tot dusverre zijn er pas 3 tot 4 miljard vaten gevonden.

Shell en de Turkmeense regering hebben een soortgelijk miljardenproject op touw gezet voor een 1.700 kilometer lange pijpleiding door de Kaspische Zee, die aardgas uit Turkmenistan via Baku en Georgië naar de regio Ankara in Turkije moet brengen.

Rusland mokt over het verlies van zijn greep op de Kaspische olie, maar Moskou blijft een machtige partij als het gaat om de energiesector, veruit de belangrijkste bron van exportinkomsten in de Kaukasus. Met succes verdedigden de Russen een tracé ten noorden van de Kaspische Zee voor een nieuwe pijpleiding die het immense Tengiz-veld in Kazachstan ontsluit. Die leiding wordt aangesloten op het oude Russische transportsysteem naar Midden-Europa en naar de havenstad Novorrossisk aan de Zwarte Zee. Bovendien sloot het Russische bedrijf Gazprom onlangs een financieringsovereenkomst voor het project Blue Stream, een grote leiding die Russisch aardgas over de bodem van de Zwarte Zee naar Turkije moet transporteren.

Geleidelijk zullen in elk geval twee landen in de Kaukasus – Azerbajdzjan en Georgië – meer van de olie- en gasopbrengsten en de transporttarieven profiteren. Buurlanden maken, als de gewapende conflicten tot een einde komen, een goede kans op een geregelde aanvoer van olie en gas, via aftakkingen op de nieuwe pijpleidingen.

*) Robert O. Anderson in The fundamentals of the Petroleum Industry. Weidenfeld Nicolson, Londen 1985.

OLIE EN GAS