Schilderijen Goudstikker mogen blijven

De 235 kostbare schilderijen van de collectie-Goudstikker blijven hangen in de Nederlandse musea, ambassades en andere gebouwen van de overheid. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag vanmiddag bepaald.

De schilderijen werden opgeëist door de Amerikaanse erfgename van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940). In 1997 wees de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Nuis, die claim af. Het Haagse hof acht zich niet bevoegd om die beslissing ongedaan te maken, aldus vice-president J. Vrij in het vonnis. Tot de collectie behoren topstukken van onder anderen Rubens, Steen, Van Ruysdael en Cranach.

Rijksmaarschalk Göring kocht de schilderijen in de oorlog nadat Goudstikker het land was ontvlucht. Zijn weduwe probeerde na de oorlog vergeefs de schilderijen terug te krijgen. Ze diende nooit formeel een claim in bij de Raad voor Rechtsherstel, die na de oorlog met dit soort kwesties belast was. Het Haagse gerechtshof fungeerde in deze zaak als opvolger van die raad. Een claim had uiterlijk voor 1 juli 1950 moeten worden ingediend.

De weduwe heeft destijds ,,welbewust en weloverwogen'' afgezien van het vragen van rechtsherstel voor de verkoop van de schilderijen, zei Vrij. In 1952 trof ze een schikking: ze mocht een deel van de onroerende goederen van haar man houden en ongeveer 1,3 miljoen gulden die verkoop van zijn bezit had opgeleverd.

De uitspraak die het Haagse Gerechtshof vandaag deed is niet het definitieve eind van een juridische strijd die twee jaar geduurd heeft. De erfgename van Goudstikker, zijn schoondochter M. von Saher, kan die nog op twee manieren voortzetten. Ze zou een civielrechtelijke procedure kunnen beginnen tegen de staat, of een adminstratief-rechtelijke tegen de beslissing van Nuis uit 1997. Haar advocaat R.O.N. van Holthe tot Echten zei vanmiddag het vonnis eerst nader te moeten bestuderen alvorens daarover een besluit te kunnen nemen.

De vice-president van het Haagse hof zei ook dat het Haagse hof onbevoegd is, omdat de weduwe Goudstikker in de jaren vijfig om teruggave vroeg aan de Stichting Nationaal Kunstbezit, die met teruggave van kunst belast was, en niet aan de Raad voor Rechtherstel. Het Haagse hof zou nu alleen de bevoegdheid hebben te oordelen over de beslissing van die raad, en niet over het werk van de SNK.

Jacques Goudstikker was een prominente, smaakbepalende kunsthandelaar in het Europa van voor de oorlog. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, probeerde hij per schip het land te ontvluchten. Zijn kunsthandel liet hij onbeheerd achter. Tijdens zijn vlucht kwam Goudstikker om het leven; hij maakte een fatale val op de boot, voordat die Engeland bereikt had.

Het personeel van de kunsthandel, dat in Nederland achtergebleven was, verkocht de schilderijen van Goudstikker in juli 1940 voor 2 miljoen gulden aan rijksmaarschalk Göring, net als Hitler een fervent kunstverzamelaar. De Duitse bankier Alois Miedl, een beschermeling van Göring, nam de kunsthandel van Goudstikker en diens onroerende goederen over voor 550.000 gulden.

Van de ongeveer 1100 schilderijen die de collectie-Goudstikker omvatte kwamen er na de oorlog circa 300 terug naar Nederland. Daarvan hangen er nu 235 in Nederlandse musea en ambassades; de rest werd geveild. Na de oorlog stelde de SNK zich op het standpunt dat de verkoop aan Göring rechtmatig geweest was. Daarom vielen de kunstwerken, zoals alle goederen die tijdens de oorlog vrijwillig aan de Duitsers verkocht waren, toe aan de staat.