Nozems en asocialen

Pubers die niet willen deugen zijn van alle tijden. ,,Ze zijn in de loop van de jaren alleen iets diverser en kleurrijker geworden'', zegt jongerenwerker Frans Vlug. ,,Maar in essentie zijn het dezelfde jongeren als veertig jaar geleden.'' Om daaraan toe te voegen: ,,Hoogstens een graadje moeilijker om mee te werken.''

Wél veranderd is het etiket dat de probleemjongeren door de buitenwereld kregen opgeplakt, zegt Vlug (61). En hij kan het weten: bijna veertig jaar werkt hij in het Arnhemse jongerenwerk, de laatste tien jaar als directielid van De Pasvorm (praktijk, arbeid, scholing en vorming). Vele pubers heeft hij gevormd tot min of meer brave burgers. Sommige van hen komen nu hun zonen – de jongens zijn meestal lastiger dan de meisjes – bij hem afleveren: ,,Neem jij 'm maar Frans. Er is niets met hem te beginnen!''

Toen Vlug in 1960 als jeugdleider begon bij de Katholieke Arbeiders Jeugd, werd gesproken over `de jonge, ongeschoolde arbeider'. Dat waren veertienjarigen die een zetje moesten hebben om ,,van servet tafellaken te worden'', zegt Vlug. ,,Ze moesten leren werken en dat was voor veel van hen geen gemakkelijke opgave.''

Spoedig werden de jonge arbeiders verdrongen door `nozems', herinnert Vlug zich. Die hadden een vetkuif, een zonnebril, een leren jasje en een sigaret in de mondhoek. ,,Niet alle nozems waren lastig, maar vanwege hun branieachtige optreden zagen nette burgers ze wel als probleemgroep.''

Sprak de term nozem nog tot de verbeelding – je kunt je er een soort Nederlandse James Dean bij voorstellen – eind jaren zestig werd de typering van de probleemjeugd harder. Vlug was inmiddels jongerenwerker bij het Vormingswerk en ving daar `asocialen' op. Vlug: ,,Die naam werd natuurlijk niet door de jongeren zelf bedacht, maar door subsidieverleners, overheden en onderzoekers.''

Asocialen werd later toch te grof gevonden. Een verhullender term werd geïntroduceerd: `bodemgroepen', kort daarop gevolgd door het nog eufemistischer `anders-maatschappelijken'. Vlug: ,,Ik vond er zo'n minachting uit spreken. Termen bedacht door de middenklasse voor groepen die onderaan de maatschappelijke ladder staan.''

`Drop-out' was al eind jaren zestig komen overwaaien uit de Verenigde Staten, maar kwam in de jaren tachtig in zwang. Eerst werden daarmee jongeren bedoeld die voortijdig de school hadden verlaten. Later kreeg de term een bredere betekenis en werden er ook daklozen en drugsverslaafden mee aangeduid. Geen nood: ambtenaren hadden alweer een nieuwe titel in petto: `gedepriveerde jongeren'. Vlug: ,,Ik heb veel geslikt, maar dat kreeg ik nauwelijks uit mijn strot.''

Er waren er blijkbaar meer die daar moeite mee hadden. Eind jaren tachtig mocht het beestje ineens weer bij de naam worden genoemd met de titel `randgroepjongere'. Vlug: ,,Het ministerie van onderwijs had het over `randgroepen' en ik schreef in 1989 mijn eerste `randgroepwerkplan'.''

Sinds een jaar of twee is de term `risicojongeren' in zwang. ,,We wachten op een betere naam'', grinnikt Vlug. ,,Deze is verwarrend. Want voor wie zijn ze een risico, voor zichzelf of voor anderen?''