Katerloos bier

In de serie over verkeerd begrepen horeca-gezegdes, vandaag: bier na wijn geeft venijn, wijn na bier geeft plezier. De heersende betekenis heeft een medische achtergrond: wie op een avond eerst wijn drinkt en vervolgens bier heeft de volgende ochtend een spijker in zijn of heur hoofd. Dat bier op wijn hoofdpijn veroorzaakt, zou te maken hebben met de afnemende alcoholconcentratie van de gebruikte consumpties. De uitwerking van drank is echter notoir slecht te vangen in dit soort quasi-wetenschappelijke wetten. Een bescheiden twee glazen foute rooie wijn kunnen de volgende dag al lelijk vergallen. Maar er zijn ook tweebenige chemokarren voor wie `kater' uitsluitend `mannetjespoes', of `brak' een mengeling van zoet en zout water betekent.

De werkelijke betekenis van dit bier-wijn-gezegde schijnt eerder sociaal-economisch te zijn: wie in zijn leven eerst – goedkoop – bier heeft gedronken, en zich op latere leeftijd – dure – wijn kan permitteren, mag met recht van een `plezierige' loopbaan spreken. Een omgekeerde carrière levert het spreekwoordelijke venijn op.

De ervaring met de huisbrouwerijen, stadsbrouwerijen en brouwhuizen leert dat `zelfgebrouwen bier' ook verkeerd kan vallen. Hoe dat komt is onduidelijk: misschien is het een gist-kwestie, het niet-pasteuriseren of een hoog alcoholpercentage. Ook het Scheveningse Brouw Café brouwt het bier zelf – er is zelfs geen Heineken of Grolsch te krijgen.

Het is niet een café waar je binnenschiet voor een hazenpilsje – je moet voor de sortering echt gaan zitten. En om meteen een oordeel te vellen: precies zoals kaas van een kaasboerderij en zelf gevangen vis lekkerder is, zo is ook het huis-assortiment van dit café smaakvoller dan wat zo gemiddeld uit een fles van een groot merk komt. En dat geldt voor zowel de Malle Mok, de Tripel als voor het seizoensbier, de Augustijn.

Het Brouw Café is pal aan de Scheveningse vissershaven gevestigd in een rijtje nieuwbouwpanden waarin meer horeca zit. Op een woensdagavond zitten er wat omwonenden uit het Haagse Statenkwartier. Buiten waait het havenschuim de kade op.

Het binnenwerk van het pand is met een asymmetrische opstelling van bar, leestafel en eetgedeelte lekker rommelig, zelfs warm ingericht. In een hoek staan de koperen ketels waar de ambachtelijke koopwaar vandaan komt. Aan de muur een onvoorstelbare hoeveelheid oude bierreclames. Heerlijk helder, en vakmanschap is meesterschap enzo.

Na bijna alle tapkranen te hebben geprobeerd, gaan we aan tafel. Op het menu staat opvallend veel vis. Op tafel komt `Havensalade' van verschillende soorten gerookte vis – paling, forel, heilbot, zalm – met dillesaus en een erg lekkere `Brouwhuissalade' die blijkt te bestaan uit twee dunne reepjes tongschar die in bierbeslag zijn gefrituurd. Ze worden geserveerd met – geen Hollandse, foei! – garnalen en `kreeftenmayonaise'. De fles Pinot Blanc verschijnt incluis twee reeds ingeschonken glazen. ,,Excuses dat we u niet hebben laten proeven'', zegt de ober in hoogste rang, ,,maar het personeel moet nog worden ingewerkt''. Dat is wat je noemt: attent.

Het ene hoofdgerecht komt van het wandbord: `Varkenskophaas gevuld met mozzarella en coburgerham' die, aldus de tafelgenoot, lekkerder is dan de naam doet vermoeden. Het andere heet `Gebakken Brouwhuistrio': recht-door-zee stukken tonijn, zalm en kabeljauw met een originele saus van `Frisse Windbier', een soort witbier.

Het moge zo langzamerhand duidelijk zijn: we hebben hier een geslaagd eetcafé te pakken. Het ambachtelijke bier deugt. Het eten is geslaagd. En de bediening is aardig. En hoe het afliep met de hoofdpijn? Geen spoortje. Dit stukje stond de volgende ochtend voor tienen op het beeldscherm.