Geschiedenis verdient plek in Rijksmuseum

Dat er geld komt voor renovatie van het Rijksmuseum is te prijzen, maar de aangedragen oplossing voor de afdeling Nederlandse Geschiedenis verdient geen steun, vindt Geert Janssen.

Onlangs maakte het kabinet bij monde van de minister-president bekend dat zij de Nederlandse bevolking een `millenniumgeschenk' wilde geven. 100 miljoen gulden zou het kabinet uittrekken om het Rijksmuseum een facelift te kunnen bezorgen. Door een complete renovatie, zal onze nationale schatkamer ook in de 21e eeuw een vooraanstaande rol in de mondiale museumwereld kunnen blijven vervullen. De directeur van het Rijksmuseum, Ronald de Leeuw, moet die dag een gat in de lucht zijn gesprongen. Het is echter maar de vraag in hoeverre de Nederlandse bevolking blij moet zijn met dat `geschenk'. De 100 miljoen wordt namelijk gestoken in het ambitieuze masterplan van de museumdirecteur. In dit masterplan is onder andere het opdoeken van de afdeling `Nederlandse Geschiedenis' van het Rijksmuseum opgenomen. Met de invoering van het masterplan en de sponsoring van het kabinet, raakt Nederland aldus de enige museumpresentatie van zijn eigen nationale geschiedenis kwijt. Dat is geen geschenk, maar een ernstig gemis te noemen.

Het masterplan van directeur De Leeuw voorziet onder meer in een complete renovatie van het negentiende-eeuwse museumgebouw. Depots, museumzalen en facilitaire voorzieningen worden geheel opnieuw ingericht, waardoor de vroegere grandeur van de architectuur van Cuypers weer beter tot zijn recht moet komen. Dat is natuurlijk prachtig. De laatste jaren is het museum langzaam maar zeker verworden tot een doolhof van kabinetten, gangen en zaaltjes met veel tussenschotjes die in geen velden of wegen meer doet denken aan de oorspronkelijke opzet van Cuypers. Dat er nu eindelijk geld beschikbaar komt om het Rijksmuseum weer een juweel van de Nederlandse museumwereld te laten worden, valt zonder meer te bejubelen. Het masterplan gaat echter verder dan alleen een restauratie van het gebouw. De Leeuw wil graag een `integrale opstelling' realiseren. Dat wil zeggen dat er een gezamenlijke, interdisciplinaire presentatie komt van schilderkunst, beeldhouwkunst, kunstnijverheid en Nederlandse geschiedenis. Hierdoor moet de museumcollectie meer een eenheid gaan vormen, en wordt tevens tegemoet gekomen aan nieuwe wetenschappelijke inzichten wat betreft een meer multidisciplinaire benadering van de (kunst)geschiedenis. Er komt aldus één lopende presentatie van schilderijen, beeldhouwkunst en `historische objecten'.

Een integrale aanpak van de museumcollectie is vernieuwend te noemen, maar ook erg modieus. Daarbij komt dat de bestaande afdeling `Nederlandse Geschiedenis' hierdoor zal verdwijnen. Zij zal geheel worden opgenomen in de kunsthistorische opstelling. De Geschiedenisafdeling had al jaren te kampen met een gebrekkige belangstelling van zowel de bezoekers als de museumdirectie. Dat was niet opmerkelijk. Weggestopt in de kelder, tussen de toiletten, stonden `het stokje van Oldenbarnevelt', 'de Slag bij Waterloo' en `de boekenkist van Hugo de Groot' weg te stoffen in lelijke, slecht verlichte zalen. De Geschiedenispresentatie nodigde niet uit tot een bezoek, ondanks de aanwezigheid van enkele prachtige en historisch belangwekkende objecten. Aan al die ellende in de kelder van het Rijksmuseum moest maar eens een einde komen, moet De Leeuw gedacht hebben toen hij zijn masterplan schreef. Zo'n afdeling kan best opgaan in de bestaande kunsthistorische opstelling, zodat, `historische objecten de kunsthistorische gaan ondersteunen en van een context gaan voorzien', aldus de museumdirecteur. De angst is daarentegen niet irreëel dat de Geschiedenisafdeling niet de kunsthistorische presentatie gaat ondersteunen, maar erin zal verzuipen. De afdeling Nederlandse Geschiedenis is bovendien de enige museumpresentatie van de vaderlandse geschiedenis in Nederland. Alleen in de kelder van het Rijksmuseum kunnen Nederlanders en buitenlandse geïnteresseerden terecht als zij meer te weten willen komen over hun eigen geschiedenis. Over het ontstaan van de Nederlandse staat, de rol van het huis van Oranje en over cultuurcontacten van Nederlanders met bewoners overzee wordt alleen in het Rijksmuseum één lopend verhaal verteld. Dit basisverhaal van de Nederlandse Geschiedenis dreigt nu te verdwijnen. De Raad voor Cultuur liet vorig jaar al weten niet gerust te zijn op de plannen van De Leeuw en het verdwijnen van de aparte Nederlandse Geschiedenisopstelling van het Rijksmuseum als een ernstig gemis te beschouwen. Zij stelde voor dat indien er sprake zou zijn van het verdwijnen van de afdeling, er een nieuwe locatie moet worden gevonden voor een apart museum van Nederlandse geschiedenis.

Inderdaad is de huidige Nederlandse Geschiedenisafdeling in het Rijksmuseum niet bevredigend te noemen. De oplossing die De Leeuw hiervoor aandraagt verdient daarentegen geen steun. Het laten opgaan van de afdeling in de overige collecties is geen goede oplossing, omdat het verhaal van de Nederlandse Geschiedenis een aparte plaats blijft verdienen in Nederland. De museumdirectie en de betrokken bewindspersonen zouden er derhalve beter aan doen het advies van de Raad voor Cultuur ter hand te nemen.

Helaas hebben het kabinet en daarmee de staatssecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg, de waarschuwing van de Raad in de wind geslagen. Met hun genereuze gift maken zij de weg klaar voor een geheel nieuw Rijksmuseum. Dat is op zichzelf zeer te prijzen. Het museum verdient de flinke opknapbeurt. Dat daarmee tevens de enige plaats in Nederland verdwijnt waar onze geschiedenis als een lopend verhaal kan worden gevolgd, is daarentegen niet toe te juichen. Het gemak waarmee het kabinet hierover heenstapt is misschien tekenend voor de gebrekkige kennis van de Nederlandse geschiedenis onder politici. Maar juist in een tijd waarin de roep om meer en beter geschiedenisonderwijs harder wordt, is de beschikking over een museumafdeling voor de Nederlandse Geschiedenis meer dan gerechtvaardigd.

Geert Janssen is historicus.