GEORGIË

Georgië is als cultuurnatie nóg ouder dan buurland Armenië. Het is het Kolchis van de oudheid, het land waar Jason en zijn Argonauten het Gulden Vlies vandaan haalden, het is het land waar in de twaalfde en dertiende eeuw briljante vorsten als koning David de Bouwer en koningin Tamara een bloeiende christelijke cultuur opbouwden. Georgië is het land waar duizenden oude kloosters en kerken en forten, hoog op de toppen van de zuidelijke Kaukasus, getuigen van een groots verleden.

Een land van vele volkeren: naast Georgiërs wonen er Armeniërs en Abchaziërs, Russen, Turken, Azeri, Osseten en Grieken. Het overwicht van de Georgiërs is bedrieglijk: zij rekenen vele volkeren mee die eigenlijk geen Georgiërs willen zijn. De Mingreliërs in het Westen bijvoorbeeld, de islamitische Adzjariërs in het zuidwesten, bergvolken en -volkjes op de zuidflank van de Kaukasus.

Het is een land van dichters. Politici en generaals, straatvegers en bandieten zijn hier dichters. Het is ook een land van levensgenieters, zo anders dan de sobere, strenge Armeniërs. Er valt weinig te genieten, want na de onafhankelijkheid van 1991 is het land het slachtoffer geworden van de ene ramp na de andere. Maar onder de platanen van de Roestaveliboulevard in hartje Tbilisi is van somberheid geen sprake, hoeveel redenen de Georgiërs er ook voor hebben.

Drie oorlogen op rij heeft Georgië in de jaren negentig uitgevochten – drie oorlogen die het beeld van het Georgië van dit moment bepalen. De burgeroorlog tegen de autoritaire en nationalistische president Zviad Gamsachoerdia was er zo een. Die oorlog bracht uiteindelijk de huidige sterke man, ex-Sovjet-minister Edoeard Sjevardnadze, in Tbilisi aan de macht. De oorlog tegen de Osseten die zich in 1991 wilden afscheiden, was een andere. Zuid-Ossetië is op dit moment de facto zo goed als onafhankelijk. Dat geldt ook voor Abchazië, waar de meest verwoestende van de drie oorlogen werd uitgevochten. Met hulp van Rusland en de islamitische republieken aan de noordflank van de Kaukasus gooiden de Abchaziërs – zelf niet meer dan 18 procent van de bevolking van hun eigen land – de Georgiërs Abchazië uit. Ze schoten nog liever hun eigen hoofdstad Soechoemi in puin dan zich verder te schikken onder Georgisch gezag. Tweehonderdduizend Georgische vluchtelingen uit Abchazië bevolken overal in Georgië nog de hotels, de pensions, de sanatoria waar ze zes jaar geleden `provisorisch' werden ondergebracht. Waarmee ze het land beroven van een van de weinige potentiële motoren van zijn economie: het toerisme.

Van die economie is niets meer over. Voor 1991 was de levensstandaard in het extreem vruchtbare en klimatologisch gezegende Georgië de hoogste van alle Sovjet-republieken. Nu is die levensstandaard de laagste in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten. Hier moet men zien rond te komen van dertig, veertig gulden per maand, bejaarden van twaalf gulden per maand. Op die mooie platanenboulevard in hartje Tbilisi wordt veel, heel veel gebedeld.

Sjevardnadze werd als president binnengehaald om, met zijn internationale contacten en zijn faam als de man die Duitsland hielp herenigen en Oost-Europa hielp bevrijden, het land uit het slop te halen.

Daarin is deze geboren overlever niet geslaagd: investeerders zijn weggebleven, want waarom investeren in een land dat uitmunt door economische en politieke instabiliteit, door etnisch geweld, door een onvolledige en dubieuze privatisering en een haperende democratie, door een nauwelijks bestaande markteconomie, door onopgeloste problemen rond Abchazië en Zuid-Ossetië?

Als Georgië in het nieuws komt, gaat het steevast om berichten over ruzies en geweld, want hoeveel aanslagen zijn er de afgelopen jaren niet gepleegd op de joviale president? De man die ondanks het internationale krediet waarmee hij begon, nog altijd presideert over een armenhuis.