Geen verbod op levering aan Birma

De Nederlandse regering is voorstander van economische sancties tegen Birma, mits meer landen in Europa daartoe overgaan. Dat standpunt is overgebracht aan het IHC Caland, dat een zogeheten snijkopzuiger, een baggerschip, aan dat land gaat leveren. Er zijn geen regels die de levering verbieden.

Dit heeft staatssecretaris G. Ybema van Economische Zaken vandaag geantwoord op vragen van Tweede-Kamerlid B. Koenders (PvdA).

De regering moedigt handel met en investeringen in Birma op geen enkele manier aan, zolang schending van mensenrechten daar op de huidige schaal voortduurt en de terugkeer naar democratie wordt geblokkeerd.

Er geldt al een wapenembargo en Nederland blijft streven naar een gemeenschappelijk Europees standpunt om te komen tot meer economische sancties. Birma wordt geregeerd door een militaire junta die onder meer gebruikmaakt van dwangarbeid.

President-directeur De Ruyter van het technisch-maritiem concern IHC Caland stelt dat er nationaal en internationaal geen duidelijke regels zijn waaraan zijn bedrijf zich bij levering aan Birma zou moeten houden. Volgens De Ruyter heeft het bedrijf, ook binnen de raad van commissarissen, lang gepraat over de levering van het baggerschip. De doorslag gaf dat het schip gebruikt wordt voor het weghalen van steeds terugkerende zandbanken in een aantal rivieren en de kustdelta. Door die zandbanken kunnen boeren hun producten niet naar de grote steden brengen. Volgens IHC kan dit schip op geen enkele manier gebruikt worden bij de schending van mensenrechten.

IHC kwam eerder in opspraak door de levering (via een lease-contract) van een drijvend olie-opslagplatform aan Birma. Dat platform wordt gebruikt bij de gaswinning voor de kust van het land.