Eeuwenoud ressentiment

Verkiezingskoorts in Moskou, anarchie in Grozny en een al eeuwen durende haat: dat zijn de ingrediënten van de oorlog in Tsjetsjenië.

OORLOG VOEDT ZICHZELF. Met elk nieuw slachtoffer is er weer een extra reden om de strijd voort te zetten. In de eerste dagen van de inval van Russische troepen in december 1994, liet generaal Ivan Babitsjev zijn pantserwagens nog voorzichtig halt houden voor een wegblokkade van Tsjetsjeense vrouwen. Een maand later leidde dezelfde Babitsjev een meedogenloze beschieting van de hoofdstad Grozny. ,,In december waren er nog geen granaten naar zijn jongens gegooid'', verklaarde een officier uit zijn eenheid. ,,Als dat eenmaal gebeurt, ga je wel anders denken.''

Diezelfde maand sprak een Tsjetsjeense strijder woorden die in de regio nog vaak zouden klinken: ,,Je moet toch je bloed halen.'' Hij had zijn been verloren, lag in het hospitaaltje van het dorp Atagi en sprak behalve tegen de buitenlandse correspondent ook tegen zijn jongere broertje. Die had er wel oren naar.

De wraakzucht van generaal Babitsjev en van de broers in het hospitaal is niet nieuw in de relaties tussen Russen en Tsjetsjenen. Twee lange oorlogen, van 1785 tot 1791 en van 1824 tot 1859, hebben de tsaren nodig gehad om het gebied in te lijven. Dorpen werden in de as gelegd, burgers op de vlucht gejaagd. Veel nieuwgeboren Tsjetsjeense zonen worden sindsdien Sjamil genoemd, naar de legendarische leider die zijn verzet vanuit de bergen het langst volhield.

In 1943 werden de littekens opengehaald met nieuwe wreedheden. Stalin liet het hele Tsjetsjeense volk deporteren naar Centraal-Azië, omdat hij het verdacht van collaboratie met de Duitsers. De helft van de gedeporteerden overleefde het transport niet. Pas in 1957 mochten de overlevenden naar hun geboortegrond terug. De episode wordt niet licht vergeten: de overgrote meerderheid van de oudere Tsjetsjenen, onder wie de huidige president Aslan Maschadov, is in Kazachstan geboren.

Kortom, genoeg ressentiment voor een oorlog. Is het niet van de Russen tegen de Tsjetsjenen dan wel van de Tsjetsjenen tegen de Russen. De onderworpenen hebben zich dan ook nooit bij de inlijving door het Russische rijk neergelegd. Onder de dunne laag van Russisch en Sovjet-bestuur hebben zij traditionele gebruiken en verbanden gehandhaafd. Lokale gemeenschappen laten zich besturen door Raden van Ouderen. Loyaliteit aan de eigen clan en de verdediging van de eer als hoogste deugd zijn niet geweken voor oekazes uit Moskou. En bij elke onrustige machtswisseling deed dit rumoerige volk van rond de één miljoen zielen opnieuw een gooi naar de onafhankelijkheid. Na de Oktoberrevolutie van 1917 bijvoorbeeld duurde het tot in de jaren dertig voordat alle Tsjetsjeense clans weer in het gareel waren gebracht.

In het najaar van 1991 was het weer zover. Een afgezwaaide luchtmacht-generaal, Dzjochar Doedajev, maakte van de machtsstrijd in Moskou gebruik om in Grozny een coup te plegen tegen de lokale communistische machthebbers. Hij slaagde, liet zich met 85 procent van de stemmen tot president kiezen en riep de onafhankelijkheid uit. Moskou noch de wereld erkende deze.

In tegenstelling tot Georgië of Azerbajdzjan had Tsjetsjenië immers nooit de status van Sovjet-republiek gehad. Het gebied was onderdeel van de Sovjet-republiek Rusland, en formeel veranderde de opheffing van de Sovjet-Unie daar niets aan. Maar in beslag genomen als Moskou was door de strijd tussen Kremlin en parlement, werd de zaak op zijn beloop gelaten. Pas in 1994, toen president Jeltsin zijn land een nieuwe grondwet had weten op te leggen, richtte hij de blik naar het zuiden.

Daar was de toestand inmiddels uit de hand gelopen. Doedajev bleek niet het wijze staatshoofd te zijn dat een nieuwe staat zich mag wensen. Hij verduisterde opbrengsten van de oliewinning, ruïneerde de economie en organiseerde officiële tentoonstellingen van het schilderwerk van zijn vrouw, waarbij hijzelf astronomische bedragen voor dat werk betaalde om haar prestige op te vijzelen. Doedajev, kortom, gedroeg zich als een traditionele clanleider die vooral uit is op macht en welvaart voor zijn eigen kring.

Daar waren en zijn er in Tsjetsjenië meer van. De burgers manifesteren hun vrijheidsdrang niet alleen tegenover de Russen, maar ook tegenover elkaar. De strijd van rivaliserende clans tegen Doedajev en tegen elkaar schepte chaotische taferelen die Moskou niet kon negeren. Gijzelingen, vliegtuigkapingen, moordpartijen, en dat in een gebied dat volgens elke niet-Tsjetsjeen deel was van Rusland. Toen het steunen van oppositiegroepen niet hielp, besloot het Kremlin in 1994 een eigen troepenmacht te sturen. Met een voor Moskou averechts effect: de Tsjetsjenen sloten de rijen tegen de gemeenschappelijke vijand.

De interventie eindigde na achttien maanden in een debacle. Zoals vaker in de krijgsgeschiedenis wist een ongemotiveerde invasiemacht niet te winnen van gemotiveerde guerrillastrijders. In dit geval stonden onderbetaalde dienstplichtigen tegenover desperado's voor wie wapens al van jongs aan af tot de garderobe behoren. Desperado's bovendien die thuis waren in het terrein en die tijdens hun militaire diensttijd in het Sovjet-leger de gebruiken van hun huidige tegenstander goed hadden leren kennen.

Na een wapenstilstand in de zomer van 1996 mochten de Russische soldaten naar huis. De anarchie begon van voren af aan. Jonge `helden' als Sjamil Basajev en Salman Radoejev, die in de strijd tegen de Russen naam hadden gemaakt met spectaculaire gijzelingsacties, lieten zich de wet niet meer voorschrijven. Bij de wapenstilstand was afgesproken dat over de status van de republiek later zou worden beslist, maar zij pleitten voor een onmiddellijke breuk met Moskou. Ook eisten zij invoering van het islamitisch recht. Krijgsheren als deze trokken zich met hun milities terug in elk een eigen gebied, van waaruit zij de nieuw gekozen president Maschadov en elkaar het leven zuur maakten.

Wat bracht de Russen ertoe dit najaar opnieuw een poging te wagen om de rumoerige Tsjetsjenen in het gareel te brengen? Aanleiding was de mini-invasie van Sjamil Basajev, die moest uitmonden in de stichting van een islamitische staat in de naburige deelrepubliek Dagestan. Ook vier mysterieuze bomaanslagen op Russische flats werden toegeschreven aan `Tsjetsjeense bandieten'. Maar vlak als factor ook de naderende presidentsverkiezingen niet uit.

Waar in een Westers land de machthebbers na verloren verkiezingen hooguit in de oppositiebankjes belanden, vrezen de huidige bewoners van het Kremlin bij een nederlaag komende juli een periode van gevangenschap. De beschuldigingen van misbruik van overheidsgelden zijn zo talrijk dat er tegen de kring rondom Jeltsin een aardige rechtszaak mogelijk zou zijn. Vandaar dat het Kremlin met een eigen presidentskandidaat is gekomen, de totaal onbekende oud-KGB- officier Vladimir Poetin. Hij werd in augustus premier. En ging toen op zoek naar een zaak waarmee hij populair kon worden. Hij lijkt Tsjetsjenië te hebben gekozen.

Poetin pakt het heel anders aan dan zijn voorgangers. Hij laat bommen en granaten het vuile werk doen in plaats van infanteristen. En hij weert de pers uit het oorlogsgebied. Geen verhalen meer over vermetele Tsjetsjenen en sneuvelende Russen. Al het nieuws is goed nieuws: Russische officieren winnen medailles, Tsjetsjeense terroristen worden uitgeroeid. Het werkt.

De wraak is zoet voor de Russische bevolking die de smadelijke aftocht uit 1996 nog niet is vergeten. Ook de als vernederend ervaren ontruiming van Oost-Europa wordt nu enigszins goed gemaakt: eindelijk slaat Rusland weer met de vuist op tafel. Poetin is ongekend populair.

Rest de vraag: hoe nu verder? Meest besproken is een scenario waarbij de Russen het noordelijke laagland, inclusief wat rest van de hoofdstad Grozny en de belangrijke oliepijpleidingen, bezet houden en het bergachtige zuiden aan zijn lot overlaten. Vanuit die bergen zullen dan wel weer Basajevs afdalen om hun `bloed te halen'. Wat vervolgens weer zal leiden tot vergeldingsaanvallen. Maar beide partijen kennen dat nog uit de vorige eeuw. In Tsjetsjenië is het nu eenmaal vaak oorlog.

TSJETSJENIË