Een labyrint dat zijn grenzen niet meer kent

De Kaukasus is een ruig gebied, een lappendeken met talrijke verschillende volkeren, waar een strijd gaande is om grond en macht. Jarenlange verwaarlozing door `Moskou' eist haar tol.

DE BERG DER TALEN. Zo noemen de Arabieren de Kaukasus. De Kaukasus, dat is een ruig gebergte met toppen van meer dan vijfduizend meter, bevolkt door een lappendeken van volkeren. Een labyrint. Ze spreken talen uit volledig verschillende taalgroepen. Sommigen zijn sunnieten, anderen sji'ieten, weer anderen christenen. Sommige volken, zoals de Armeniërs en de Georgiërs, hebben een duizenden jaren oude cultuur en eigen alfabetten waarin ze hele bibliotheken volschreven voordat wij in West-Europa voor het eerst aan schrijven toekwamen. Andere zijn luttele volken zonder geschiedenis, bergvolken, stammen en clans van herders en kleine boeren die de dalen bevolken en vaak die dalen nauwelijks uitkomen: vreemden voor hun buren.

Neem een land als Dagestan, waar op een oppervlakte van anderhalf keer Nederland twee miljoen mensen wonen, die onder te verdelen zijn in 34 verschillende volkeren, vaak met een eigen taal, een eigen religie, tradities en gebruiken.

De noordelijke Kaukasus, Russisch gebied, is administratief opgedeeld in zeven Russische deelrepublieken: Adygië, Karatsjajevo-Tsjerkessië, Kabardino-Balkarië, Noord-Ossetië, Ingoesjetië, Tsjetsjenië en Dagestan. Ook grote gebieden van de Russische regio's Krasnodar, Stavropol en Rostov kunnen tot die noordelijke Kaukasus worden gerekend. De zuidelijke Kaukasus bestaat uit drie voormalige Sovjet-republieken die in 1991 onafhankelijk werden: Armenië, Azerbajdzjan en Georgië. Ook zij hebben weer hun eigen autonome regio's: in Azerbajdzjan ligt Nagorny Karabach, de door Armeniërs bevolkte enclave die zich van 1988 tot 1994 heeft vrijgevochten en sindsdien als een door niemand erkende `republiek' door het leven gaat. In Georgië liggen Zuid-Ossetië, Abchazië en Adzjarië, waarvan de eerste twee in de jaren negentig hun eigen vrijheidsoorlogen hebben uitgevochten en de laatste zich steeds meer aan de controle van Georgië onttrekt.

De etnische diversiteit van de noordelijke Kaukasus wordt vaak aangevoerd als bron van de onrust die het gebied al sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie plaagt. Kunnen de volkeren – zonder uitzondering trots, vrijheidslievend, onafhankelijkheidsgezind – het immers niet heel slecht met elkaar vinden? In Dagestan kwam het vorig en dit jaar tot rellen en twee opstanden. Daar kunnen de Laks (5 procent van de bevolking) slecht overweg met de Tsjetsjenen (3 procent) en de Koemyken (12 procent). De Avaren (26 procent) kunnen het er slecht vinden met de Russen (8 procent) en de Lezgienen (11 procent) staan op voet van oorlog met de Azeri.

De Osseten en de Ingoesjeten hebben in de jaren negentig ook een oorlog uitgevochten, om het district Prigorod, een strijd die nog altijd niet is bijgelegd. In Karatsjajevo-Tsjerkessië kwam het dit jaar tot maandenlange ruzies tussen de Karatsjai en de Tsjerkessen naar aanleiding van de presidentsverkiezingen. Ook die ruzies zijn, vele inspanningen ten spijt, niet opgelost.

En toch is die etnische component grotendeels een mythe; uiteindelijk speelt de etnische factor veelal een ondergeschikte rol. Dat geldt ook voor de religie. Ook die is als bron van conflicten veelal een verzinsel, dat door de Russen gretig wordt opgeblazen om ingrijpen te rechtvaardigen en de eigen schuld te verdoezelen. Er bestaat tussen de Kaukasische volkeren onderling juist een grote traditionele verdraagzaamheid waar het de godsdienst van het buurvolk betreft.

Soms zijn volkeren religieus verdeeld, zoals de van oorsprong Iraanse Osseten, van wie een deel christelijk-orthodox en een ander deel moslim is. Zelfs in het vermeend fundamentalistische Tsjetsjenië wordt de religieuze component (door de Russen) sterk overdreven. Dzjochar Doedajev, de vader van de Tsjetsjeense onafhankelijkheid, was net zo min een fundamentalist als zijn gekozen opvolger, president Maschadov. Doedajev haalde de islam van stal om zijn opstand te legitimeren, als symbolische verwijzing naar het verzet waarmee de grootste historische held van de Tsjetsjenen, de religieuze leider Imam Sjamil (een Avaar uit Dagestan overigens), zich vorige eeuw dertig jaar lang tegen de opdringende Russen had verzet. Sinds 1996 is de religie door invoering van de islamitische wetgeving, de shari'a, in Tsjetsjenië geen bron van eenheid of consensus geweest, maar juist het tegendeel: een bron van onderlinge ruzies. De strijd van de Tsjetsjenen – zowel in de periode voor 1996 als nu – is een vrijheidsstrijd, een politieke strijd om onafhankelijkheid en ontvoogding, en géén religieuze strijd.

Het geldt ook voor de andere Kaukasische volkeren. Afgezien van wat scherpslijpers zijn er geen fundamentalisten. De Tsjetsjeense extremisten die eerder dit jaar in Dagestan een opstand trachtten te forceren, kregen onder de volkeren van Dagestan geen enkele steun: van fundamentalisme moet men in Dagestan niets hebben. De Ingoesjetische president Roeslan Aoesjev voerde dit jaar de veelwijverij in – niet omdat hij een fundamentalist is, maar wegens de rampzalige demografische ontwikkeling in zijn land.

In de noordelijke Kaukasus rommelt het inderdaad. Maar vaker dan om religie of etniciteit gaat het daarbij om grondgebied of om machtsposities. Om te grote centralisatie of corruptie of gebrek aan democratie. Om oneerlijk getrokken grenzen, om de oneerlijke verdeling van vroeger collectief bezit. Om de consequenties van het `verdeel en heers' waarmee Moskou dit gebied steeds onder controle heeft willen houden in de vorm van willekeurige grenzen die volkeren over verschillende republieken verdelen. En het gaat vóór alles om een lamentabele verwaarlozing van de regio door Moskou.

Moskou heeft zich nooit om de ontwikkeling van het gebied bekommerd. Ook niet de laatste tien jaar. Het bestuurde van ver, het investeerde niet, het liet de regio aan zijn lot over zoals het dat al een eeuw deed. In Machatsjkala, de hoofdstad van Dagestan, is de klok in 1991 stopgezet: nog steeds hangen er de spandoeken die het socialisme en de arbeid verheerlijken. Maar die arbeid is er niet, want economisch heeft de tijd niét stilgestaan: van de jongeren is 56 procent werkloos en 85 procent van de begroting kwam uit Moskou. Kwám, want al heel lang komt er uit Moskou niets, en dat leidt tot criminaliteit, tot extreme armoede en tot extreme ontevredenheid. En dus tot sociale spanningen: een ideale voedingsbodem voor conflicten die, als ze eenmaal uitbreken, opeens louter etnisch of religieus heten te zijn. De schattingen van het aantal Dagestani dat onder het bestaansminimum leeft, variëren van 40 tot 80 procent.

Daar komt bij dat de val van de Sovjet-Unie tevens de val van de nationale hiërarchieën heeft betekend. Dat betekende troebel water waarin het goed vissen was voor dubieuze nieuwe leiders. Oude communistische leiders verdwenen. De oude structuren waarmee de Sovjet-overheid de regio bestuurde – in een systeem dat cliëntelisme kan worden genoemd – stortten in. Er ontstond een machts- en ordevacuüm dat door nieuwe leiders, nieuwe clans, werd gevuld. En door criminelen. De Russische oorlog tegen Tsjetsjenië van 1994 tot 1996 werd ingeluid door een langdurige machtsstrijd tussen de Tsjetsjenen onderling. ,,De tragedie van Dagestan en de noordelijke Kaukasus in het algemeen is dat criminaliteit zich verbindt met de macht'', zo klaagde eerder dit jaar de Ingoesjetische president Aoesjev. ,,Mensen die criminaliteit moeten bestrijden zijn zelf verbonden met het criminele milieu. Criminelen kopen openbare aanklagers, rechtbanken, iedereen.''

Politieke, economische en sociale factoren maken de Kaukasus tot een kruitvat, eerder dan de etnische of religieuze component. Het geldt ook voor de zuidelijke Kaukasus, waar het shi'itische Iran veel betere relaties onderhoudt met het christelijke Armenië dan met het in meerderheid shi'itische Azerbajdzjan en waar het christelijke Georgië van zijn kant betere betrekkingen heeft met het islamitische Azerbajdzjan dan met de eveneens christelijke zuiderbuur Armenië. Maar dat zijn argumenten die, waar ze de noordelijke Kaukasus betreffen, in Moskou graag onder het tapijt worden geschoven: het is makkelijker enge fundamentalisten de schuld van de onrust te geven dan eigen tekortkomingen te erkennen.