Doornroosje was ooit klaarwakker

De Dresdner Bank aast op enkele slapende Nederlandse beursfondsen, waaronder Moeara Enim. De berichten daarover verwekten tot nu toe nauwelijks commotie. Ruim honderd jaar geleden echter, in februari 1898, stond heel Nederland op zijn kop toen bekend werd dat Standard Oil op het punt stond diezelfde Moeara Enim in te lijven om daarmee `de Koninklijke' een hak te zetten. Nationale trots haalde een streep door deze Amerikaanse plannen, waarna `de Moeara Enim' uiteindelijk in handen kwam van de Koninklijke en werd omgezet in een beleggingsmaatschappij.

Eind vorige eeuw zag John D. Rockefeller van Standard Oil met groeiende ergernis aan hoe een kleinduimpje in de aardolie-industrie met de weidse naam N.V. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië (kortweg `de Koninklijke') bezig was zich tot een geduchte concurrent op de oosterse markt voor lampolie te ontwikkelen.

De dato 28 februari 1892, om 10.55 uur in de ochtend, was de eerste ruwe koninklijke olie via een pijpleiding vanuit de rimboe van Oost-Sumatra naar de kust gestroomd en daar geleid naar een `raffinaderij', bestaande uit wat buiswerk en drie destilleerketeltjes, om er lampolie van te maken. Het residu (gasoline en benzine) beschouwde men in die jaren nog als afval en werd in een nabije grindgroeve in brand gestoken. Het grootste deel van de productie ging ingeblikt onder het merk Crown Oil scheep naar havens in het Verre Oosten, waar de Sumatraanse lampolie flinke afzet vond, omdat die net zo helder brandde als Amerikaanse lampolie, maar dankzij kortere aanvoerkanalen aanzienlijk goedkoper kon worden aangeboden. Wilde Standard Oil haar positie in het Verre Oosten behouden, dan diende zij het verdere opdringen van de Koninklijke te stuiten. Maar hoe? Een prijzenoorlog bood weinig kans op overwinning, omdat Standard Oil haar olie dan beneden kostprijs moest verkopen, zonder dat duidelijk was hoe lang deze strijd van kleinduimpje tegen de reus kon gaan duren. Afdoender leek het Rockefeller daarom een bod uit te brengen op alle aandelen, concessies en verdere bezittingen van de Koninklijke.

In september 1897 liet Rockefeller zijn hoofd export William Libby de onderhandelingen openen door bijna vijf miljoen gulden voor Koninklijke Olie te bieden, maar directie en commissarissen wezen dat bod verontwaardigd van de hand omdat zij de zaak wel het zesvoudige waard achtten. Bovendien vonden zij dat een maatschappij die een kroon en het predicaat `Koninklijke' in haar schild voerde een nationale onderneming moest blijven en daarom deden directie en commissarissen zelfs geen tegenvoorstel.

Standard Oil liet het er echter niet bij zitten en begon vervolgens via stromannen op de Amsterdamse beurs aandelen Koninklijke op te kopen, maar ook deze poging om zeggenschap over de concurrent te krijgen liep spaak doordat directie en commissarissen ijlings de belastingkundige en oud-minister van Financiën Jacobus Sprenger inhuurden om een beschermingsconstructie te ontwerpen – de eerste in de Nederlandse beursgeschiedenis. Sprenger adviseerde daartoe aan vertrouwde personen vijftienhonderd `preferente', niet verhandelbare aandelen à duizend gulden uit te geven, die de houders van deze aandelen bij de beoordeling van alle kwesties van levensbelang een beslissende stem gaven.

Om alle houders van gewone aandelen van de noodzaak van deze beschermingsconstructie te overtuigen, liet de Koninklijke een circulaire uitgaan waarin de leiding betoogde dat een en ander noodzakelijk was `om de toekomst met gerustheid te gemoet te gaan' en `om de concurrentie vol te houden tegen hen, die haar [de Koninklijke] zouden willen verdringen'.

Standard Oil, gewend altijd en overal haar zin door te drijven, liet zich echter niet uit het veld slaan en deed in februari 1898 een nieuwe zet op het schaakbord door onderhandelingen aan te gaan met de directie van de nog maar sinds 5 mei 1897 bestaande Petroleum-Maatschappij `Moeara Enim', die in het zuiden van Sumatra zowel over rijke olievelden als over een raffinaderijtje beschikte. Jan M. Boissevain en Johan Luden, firmanten van het Amsterdamse bankiershuis Hope & Co, hielden zich op de achtergrond als de kapitaalverschaffers van dit maatschappijtje en lieten de dagelijks leiding en onderhandelingen over aan Jan Willem IJzerman, telg uit een Leerdams geslacht van dorpssmeden, die eerder zijn sporen had verdiend bij de aanleg van een spoorlijn dwars door de rimboe van West-Sumatra. In het recente verleden had IJzerman de Koninklijke al eens een samenwerkingsvoorstel op het gebied van verkoop en transport gedaan, maar directie en commissarissen hadden dat hooghartig van de hand gewezen en vandaar dat IJzerman zich niet bezwaard voelde met Standard Oil in zee te gaan.

Op 12 februari 1898 werden beide partijen het eens over een voorlopige overeenkomst, die inhield dat Standard Oil zes miljoen gulden voor een meerderheidsaandeel op tafel wilde leggen, terwijl de Amerikanen zich verder bereid toonden in de nabije toekomst nog vele extra miljoenen in de Moeara Enim en de exploiatie van haar olievelden te pompen.

Op maandag 14 februari 1898 deed op de Amsterdamse beurs het gerucht de ronde dat Standard Oil en de Moeara Enim elkaar hadden gevonden, wat bevestigd werd in een na sluiting van de beurs verspreide circulaire. De aandeelhouders kregen daarin voorgehouden dat het maatschappelijk kapitaal van de Moeara Enim van vier miljoen gulden onvoldoende was `voor eene snelle en krachtige ontwikkeling der geheele onderneming' en dat het daarom geraden was samen te gaan met `een grooter en krachtiger lichaam en wel met de Standard Oil Company van New-York'.

In de anders zeer verdeelde Nederlandse pers brak daarop een ongekend tumult uit, waarbij alle schrijvers van commentaren en ingezonden stukken hetzelfde standpunt innamen. Algemeen vreesde men dat de dagen van de Koninklijke geteld waren wanneer `Yanks' de macht over de Moeara Enim zouden verwerven en daarmee entree kregen tot Nederlands-Indische aardoliebronnen. IJzerman persoonlijk kreeg de bitterste verwijten over gebrek aan vaderlandsliefde te horen en zag zich in caricaturen afgeschilderd als de machtswellusteling Macbeth, terwijl de bazen van Standard Oil werden voorgesteld als drie hem ophitsende heksen. De bij het publiek onbekende grootaandeelhouders, Boissevain en Luden van Hope & Co, hielden zich muisstil en lieten IJzerman alle klappen incasseren.

De laatste was zich van geen kwaad bewust en liet de aandeelhouders van de Moeara Enim in een tweede circulaire weten dat Standard Oil `een financieel krachtig lichaam' was, `met bekwame beambten, rijk aan ondervinding, met goede relatiën, een lichaam bovendien, dat tegenover zijne bondgenooten (wij spreken niet van zijne tegenstanders) voor zoover wij hebben kunnen nagaan, steeds fair heeft gehandeld'. Datzelfde, aldus IJzerman, kon hij niet zeggen van de Koninklijke: `Sedert de oprichting onzer Maatschappij, ondervonden wij van onze oudere, krachtige zuster-maatschappij niet de minste aanduiding, dat eene verbindtenis met de Moeara Enim Maatschappij haar aangenaam zou wezen'.

Pers, publiek en ook politiek Den Haag schaarden zich evenwel achter de Koninklijke, met uitzondering van Jacob T. Cremer, voormalig hoofdadministrateur van een Sumatraanse tabaksmaatschappij en sinds kort in functie als Minister van Koloniën. Cremer liet weten geen enkel bezwaar tegen een samengaan van de Moeara Enim en Standard Oil te hebben en toonde zich hooglijk verbaasd over alle commotie, wat de minister beargumenteerde door er op te wijzen dat het al sinds tientallen jaren aan buitenlanders was vergund aan Sumatra's oostkust tabaksplantages te exploiteren. Waarom zou nu voor de exploitatie van olievelden niet hetzelfde mogen gelden? De kopstukken van de Koninklijke maakten Cremer toen duidelijk welk gevaar er dreigde: werd aan het machtige Standard Oil vrij baan gegeven, dan zou de Koninklijke het niet overleven en zou geheel Nederlands-Indië voortaan de prijs moeten gaan betalen die de Amerikanen voor hun olieproducten vroegen. Door de Koninklijke gemaakte winsten kwamen mede het vaderland ten goede; die van Standard Oil verdwenen naar Amerika. Om redenen van nationaal belang leek het derhalve verstandig Standard Oil te weren en de Koninklijke in bescherming te nemen.

Hierdoor overtuigd zond minister Cremer tegen de middag van 23 februari 1898 een telegram aan IJzerman met de sommatie de overeenkomst op te schorten. De kunst was nu alleen de Amerikanen buiten de deur te houden, zonder dat daardoor tussen de VS en het Koninkrijk der Nederlanden spanningen rezen. Cremer zag daartoe een mogelijkheid door zich te beroepen op het zogenaamde Mijnreglement van 1873, waarin was bepaald dat het verlenen van concessies in alle gevallen aan de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië was voorbehouden, zonder dat deze diens besluit behoefde toe te lichten. Wettelijk lag het binnen de macht van de landvoogd eenvoudig ja of neen te zeggen, en diens beslissing was afwijzend.

Namens Standard Oil tekende William Libby bij de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken W.H. de Beaufort tegen deze gang van zaken protest aan, en de Amerikaanse ambassadeur deed hetzelfde, maar de zaak werd verder niet hoog gespeeld omdat Standard Oil nog volop andere mogelijkheden zag de Koninklijke dwars te zitten, onder meer door elders in het Verre Oosten oliebronnen te openen.

Nadat de kwestie aldus zonder diplomatieke gevolgen was geregeld, zou het voor de hand hebben gelegen wanneer de Koninklijke de concessie van de Moeara Enim had overgenomen, maar doordat de Koninklijke te weinig bood leidden de besprekingen andermaal tot niets, waarop IJzerman een samenwerkingsovereenkomst sloot met een andere buitenlandse gegadigde, de Britse Shell Transport & Trading Company, voortgekomen uit een handel in schelpen en curiosa van de uit Amersfoort afkomstige familie Samuel. Ditmaal maakte niemand bezwaren en leek de Koninklijke even schaakmat gezet, maar zodra zich een nieuwe kans voordeed doordat Shell torenhoge transportkosten bij de Moeara Enim in rekening bracht, werd dit fonds alsnog bij de Koninklijke ingelijfd. De aandeelhouders kregen bij deze overdracht een pakket preferente en gewone aandelen Koninklijke Olie voor hun stukken, waarna de Moera Enim in een slapend beursfonds veranderde, met als enige activiteit het jaarlijks toucheren en uitkeren van dividend. De toekomst zal leren of de Dresdner Bank erin zal slagen dit Doornroosje, dat inmiddels miljarden waard is, na bijna honderd jaar wakker te kussen.