De diva van de droefenis

Haar wieg stond in Leiden, haar leven leidde ze in Limburg en haar naam stond voor tranen en treurnis. In de Leidse Lakenhal is een tentoonstelling ingericht over het leven van de Zangeres zonder Naam. Dronken vader, vrieskou en een val die haar mismaakte. Leven is lijden.

Goed, haar witte bungalow stond in Stramproy, in Limburg, tegen de Belgische grens. Sinds haar eerste grote successen resideerde de Zangeres zonder Naam daar, tussen het smeedijzeren sierwerk en het zachtroze porselein, en bij haar afscheid werd ze er zelfs tot ereburgeres uitgeroepen. De platenmaatschappij van Johnny Hoes, die haar ontdekte en jarenlang haar koers uitstippelde, was bovendien gevestigd in Weert, luttele kilometers noordelijker dan Stramproy. Wie aan haar denkt, denkt voornamelijk aan het zuiden des lands, waar laatst immers ook de veiling werd gehouden die de lieve somma van 5.200 gulden opleverde voor haar met engeltjes gedecoreerde hemelbed. Dat is allemaal niet te ontkennen.

Maar tot aan haar allerlaatste muzikale snik was in de stem van de Zangeres zonder Naam te horen waar ze oorspronkelijk vandaan kwam: uit Leiden. Ze had geen zachte g, maar een harde, en ze zong haar leven lang met de ronde tongval uit haar geboortestreek. Het was alsof ze elke lettergreep een beetje omboog voordat de volgende begon. Ze was trouwens niet alleen ereburgeres van Stramproy, maar ook van Leiden. Toen haar de bijbehorende penning werd aangeboden, zongen burgemeester en wethouders zelfs, op de wijze van haar feesthit Mexico: ,,Je mag hier zo weer komen wonen / Limburg is niet echt jouw thuis / Leiden vindt jou veel voornamer / als jij wilt krijg jij een kamer / in de toren van 't stadhuis...'' En hoewel de Zangeres, op haar troon in de Leidse Schouwburg, deze smeekbede onverhoord liet, toonde ze zich danig aangedaan door het eerbewijs uit de stad van haar jeugd.

Jetteke Bolten-Rempt, directeur van het Leidse museum De Lakenhal, heeft dan ook wel enig recht van spreken als ze zegt: ,,Mary Servaes-Beij was zo Leids als het maar kan. Natuurlijk is niet iedereen binnen dit museum even dol op haar, maar ze maakt deel uit van de hedendaagse geschiedenis van Leiden. En daarom is het volkomen op zijn plaats om juist hier een tentoonstelling over haar te maken.''

Op haar bureau in de directiekamer, met uitzicht over de Oude Singel, ligt het baksteendikke boekwerk De Zangeres, het verhaal van mijn leven, waarin de diva van de droefenis kort voor haar dood haar memoires liet optekenen. Het verhaal begint zonder omwegen: ,,Op dinsdagmiddag 5 augustus 1919 ben ik in Leiden geboren. Gewoon thuis, zoals dat vroeger heel normaal was. Maria werd ik genoemd. Ik was de achtste. Zes broers en één zus waren mij al voorgegaan.''

Rietje Beij groeide op in een volkswijkje ten noorden van het centrum, waar haar vader zijn karige inkomen als los werkman liever besteedde in het café of in het bordeel van zijn zuster dan aan zijn gezin, en thuis hooguit wat vrolijkheid bracht als hij in de stemming was om zijn accordeon om te gespen. Het was als in haar latere repertoire: ,,'s Winters kon het gebeuren dat we in bed dreigden te bevriezen. Er waren thuis niet genoeg dekens. Er was geen verwarming op de slaapkamer. Ondanks het feit dat de kinderen met velen in één bed lagen, hadden ze het koud. Mijn moeder probeerde de kou te verdringen door de kapstok leeg te halen en de jassen als dekens te gebruiken. (-) Niet alleen mijn zusje, maar ook mijn jongste broertje droeg meisjeskleren. Gewoon omdat mijn moeder geen geld had om jongenskleertjes voor hem te kopen...''

Zelf liep ze als kleuter een ernstige heupbeschadiging op toen ze struikelde bij het spelen op straat, waardoor ze jarenlang aan haar bed gekluisterd was. Dat bracht haar één wrang voordeel: ,,Ik was thuis de enige die een nachtpon had.'' Door de onoordeelkundige behandeling van het mankement bleef haar ene been korter dan het andere. Maar ze hield de moed erin en mocht al op haar vijftiende meedoen met het populaire Leidsch Revue en Cabaret Gezelschap. Een jaar eerder had ze haar eerste baantje, bij de wolspinnerij Le Poole aan de Garenmarkt. ,,Op de maat van de spinmachines zong ik samen met de andere meiden de hele dag liedjes'', vertelde ze. Toen de wolspinnerij haar ontsloeg wegens inkrimping, kwam ze terecht bij de dekenfabriek Zaalberg, om franjes aan tafelkleden te knopen. Rietje Beij werd in die laatste vooroorlogse jaren een volleerd textielarbeidster, kunnende spinnen, spoelen, haspelen en twijnen.

Maar of ze verder zo aan Leiden gehecht was, blijft in het ongewisse. In elk geval logeerde ze graag bij een getrouwde broer in Kampen, en bij een andere getrouwde broer in Maastricht. In de Maastrichtse horeca zong ze kort na de bevrijding, onder de iets verengelste naam Mary Bey, ook het hoogste lied. Ze schreef aan haar treurende moeder dat ze niet meer terug naar huis zou komen: ,,Ik had er vrienden en vriendinnen gekregen. Ik trad er vaak op. In Maastricht voelde ik me echt thuis...'' En op een avond ontmoette ze er Sjo Servaes, met wie ze in 1948 in het huwelijk trad. Acht maanden nadien vonden ze in Maastricht hun eerste huurwoninkje.

Haar faam begon pas in 1957. Sjo vond aanvankelijk dat hij als man de kost moest verdienen, en zij had zich daarbij neergelegd. Tot ze het op een keer niet kon laten mee te zingen met haar broer Jerry, die artiest was. And the rest is history, veroorzaakt door Johnny Hoes. Hij verruilde haar repertoire van alledaagse liefdesliedjes voor het levenslied en nam haar haar naam af. Toen ze vervolgens haar eerste plaatje op de pick-up legde, kon ze haar oren niet geloven: ,,Wat ik hoorde, was de stem van een kind. Wat hadden ze in de studio met de opname gedaan? Ik was een vrouw van 38 en ik verkeerde altijd in de veronderstelling dat mijn geluid sexy en ondeugend klonk.''

Niets was, kortom, minder waar. Hoes wist precies wat hij deed. Hij bouwde zelfs zijn imperium op de Zangeres zonder Naam. Volgens een globale schatting verkocht ze in totaal zo'n 16 miljoen platen.

Jetteke Bolten-Rempt loopt langs de hoezen die nu in de Lakenhal liggen en zegt: ,,Kijk, die plaat had ik zelf óók. Ik ben een ouwe fan. Haar liedjes werden gedraaid door radio Luxemburg en ik vond het geweldig iets uit je eigen leven door de ether te horen. Later ben ik ook nog in de Vondelkerk geweest, toen ze voor Gerard Reve zong. Wat ik zo in haar bewonder, is dat ze steeds weer andere groepen heeft weten te boeien. Niet alleen het volk waar ze zelf uit voortkwam, maar ook intellectuelen.''

Tijdens de voorbereidingen voor een vorige tentoonstelling in de Lakenhal, De passie van Leiden, bracht Jetteke Bolten een bezoek aan de Zangeres zonder Naam. ,,Ze zat achter de tafel in haar huiskamer in Stramproy. Ik herkende haar nauwelijks. Ze was een oud vrouwtje geworden. Maar zodra ze begon te spreken, hoorde ik het weer: zo Leids als het maar kon.'' Geroerd door de belangstelling uit haar geboortestad stond de Zangeres haar gouden japon van de ontwerper Theo Sijthoff in bruikleen af voor de tentoonstelling, en koos ook uit de collectie van het museum een achttiende-eeuwse spiegel die als het voorwerp van haar voorkeur kon worden geëxposeerd.

Nog tijdens haar leven zijn afspraken gemaakt met Mary Servaes-Beij over Een ode aan de Zangeres zonder Naam. Wat tot dusver van haar bezittingen al is geveild, ten behoeve van diverse goede doelen, betreft goeddeels parafernalia van particuliere aard, zoals meubels, schemerlampjes, een kaptafel, goudgetint serviesgoed, een tafelbel en een kunstkerstboom. De memorabilia die direct aan haar carrière zijn gekoppeld, bevinden zich nu in Leiden. Ook daarvan komt na afloop van de tentoonstelling een deel ter veiling.

Tweehoog in de zeventiende-eeuwse Lakenhal betreedt de bezoeker vanaf morgen de wereld van klatergoud en glycerinetranen, kitsch en kunst, vaderlandse show business en droefenis in driekwartsmaat. Langs de hoge muren in de lichte trappenhal hangen drie grote foto's waarop een model in jurken van de Zangeres zonder Naam gestalte geeft aan een fantasiewereld in decorstukken die aan coulissen doen denken. In de eerste zaal staan eveneens decors – achter elkaar zijn hier zeven kamertjes opgesteld, elk met een eigen thema, en allemaal vol tastbare herinneringen: foto's, platen, accessoires en ingelijste knipsels en brieven. In een tweede zaal is de huiskamer in Stramproy nagebouwd en in de derde is een droomwereld geschapen waar de bijna honderd optreedjurken hangen aan knaapjes waarop het portret van de Zangeres prijkt. Veel van die jurken maakte ze zelf. ,,Thuis zat ik uren achter de naaimachine om er op de planken goed uit te zien'', zei ze. Er moeten meters gouddraad in zijn verwerkt.

De collectie wekt de indruk dat Mary Servaes-Beij altijd alles heeft bewaard. Er is een gitaar die ze ten geschenke kreeg na een gastoptreden met de groep Normaal, er zijn talrijke bekers en oorkondes, vele tientallen plakboeken en honderden, zo niet duizenden fanbrieven. Zo omgaf ze zich met de onweerlegbare bewijzen van haar succes.

Maar misschien nog het roerendst zijn de schoentjes die de Zangeres zonder Naam tijdens haar optredens droeg. Elk paar is ongelijk; steeds steekt de linkerschoen door een verhoogde hak iets boven de rechterschoen uit.

Zangeres zonder Naam, Stedelijk Museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. 17 Dec t/m 21 mei 2000. Entree volw ƒ9. Open di t/m vr 10-17u, za/zo 12-17u. Tranen in een rode zakdoek, uitg. Leiden Promotie ƒ14,95.