Bidden 6

Het interview met de heer Dorsman, rector van het Calandlyceum te Amsterdam, heeft me wat verbaasd (NRC Handelsblad, 14 december).

Ik ben 15 jaar directeur geweest van de openbare school voor slechthorende kinderen in Den Haag, met een afdeling voor kinderen met ernstige spraak- en taalontwikkelingsmoeilijkheden. In die functie heb ik, evenals de rector van het Calandlyceum, de opdracht gehad te waken over het openbare karakter van de school. Ik heb de openbare school altijd gezien als een perfecte plaats waar leerlingen gestimuleerd kunnen worden begrip en respect voor elkaar op te brengen. Zoals leerkrachten niet gevraagd wordt naar hun levensovertuiging, maar wel bijvoorbeeld naar hun open houding ten opzichte van alle vormen van geloof en ongeloof zoals ze die bij leerlingen en hun ouders aantreffen, zo worden de leerlingen zo breed als mogelijk is geïnformeerd, en geacht open te staan voor de vele bestaande meningen over de belangrijkste levensvragen.

Het openbaar onderwijs staat voor het kweken van onderling begrip en het overbruggen van vaak schijnbare tegenstellingen. Openbaar onderwijs is veelzijdig georiënteerd, niet afzijdig, zoals de heer Dorsman ten onrechte met de term `neutraal' suggereert.

Dat betekent niet dat in onze school openlijk werd gebeden. Ook werd bij kerstvieringen het geboorteverhaal achterwege gelaten en werden liedteksten vermeden die kinderen ongewild en wellicht ongemerkt specifieke religieuze overtuigingen in de mond zouden leggen.

Maar het betekende wel dat buiten het lesrooster, echter binnen het schoolgebouw, ouders die de wens daartoe te kennen gaven in de gelegenheid werden gesteld godsdienstonderwijs voor hun kinderen te laten verzorgen. Het betekende ook dat als er activiteiten waren die inhielden dat leerlingen samen een maaltijd gebruikten, daar een ogenblik stilte aan voorafging om kinderen en de soms ook aanwezige ouders gelegenheid te geven te bidden. In de school dus, zij het privé. Dat op school en tijdens schoolkampen rekening werd gehouden met gevarieerde voedselvoorschriften, dat aandacht werd besteed aan religieuze vieringen als Ramadan, Suikerfeest e.d. sprak voor zichzelf.

In verband met de leeftijd van onze leerlingen was er geen aanleiding tot het doen van verzoeken om een ruimte voor gebed zoals op het Calandlyceum.

Zo zich dat wel had voorgedaan, dan was het wellicht een goed idee geweest om ergens in school een ruimte te reserveren waar ieder zich, als het lesrooster dat toestond, even kon terugtrekken, hetzij voor gebed, hetzij voor enige andere vorm van bezinning. Noem het een stiltecentrum. Zelfs de schoolleiding zou daar wellicht profijt van gehad kunnen hebben.