Beurs moet spijt betuigen voor roof

De Amsterdamse effectenbeurs moet de joodse gemeenschap in Nederland spijt betuigen en ,,een symbolisch'' bedrag van enkele miljoenen guldens betalen voor in de oorlog geroofde effecten. Banken, verzekeraars en de Nederlandse staat moeten ook een financiële compensatie geven voor de gebreken in het naoorlogse rechtsherstel.

Dit schrijft de commissie-Scholten in het gisteren verschenen eindrapport over de afhandeling van de financiële tegoeden van joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's zijn beroofd. Een jaar geleden verscheen al een interim-rapport over de banken, de overheidskassen en hypotheken. In het eindrapport wordt daarnaast aandacht besteed aan levensverzekeringen, pensioenen, sociale uitkeringen en effecten.

De Vereniging voor de Effectenhandel (VvdE), de rechtsvoorganger van de Amsterdam Exchanges (AEX), heeft volgens Scholten ,,de onteigening van het joodse effectenbezit gefaciliteerd en gelegitimeerd'' door de `roofbank' Lippmann Rosenthal & Co. (Liro) toe te laten tot de beurshandel. Banken en commissionairs hebben gehandeld in effecten die aantoonbaar uit joods bezit afkomstig waren.

Na de oorlog heeft de VvdE zich onder meer met een dreigende beursstaking verzet tegen het rechtsherstel. ,,Mede daardoor kwam tot 1953 van feitelijk rechtsherstel in de vorm van teruggave van het geroofde goed – zelfs daar waar kwade trouw bij de aankoop van joodse effecten aannemelijk was – zo goed als niets terecht'', schrijft de commissie. De AEX en de VvdE zeggen in een reactie de aanbevelingen van Scholten ,,zeer serieus'' te nemen en snel met de joodse gemeenschap te zullen gaan praten.

Bij de nasleep van het rechtsherstel van de effecten heeft het kabinet-Den Uyl de Tweede Kamer in 1976 om de tuin geleid bij de opheffing van het Waarborgfonds.

Toenmalig staatssecretaris van Financiën, De Goede, heeft volgens Scholten de Kamer ,,niet alleen onvolledig maar gedeeltelijk ook onjuist geïnformeerd''. In het Waarborgfonds, dat in 1953 is opgezet om de roof van joodse effecten te compenseren, zat destijds een batig saldo van 11,5 miljoen gulden. De Goede verzuimde te vermelden dat dit saldo te danken was aan Duitse schadevoergoedingen en stelde voor het bedrag in de staatskas te laten vloeien. Scholten vindt nu dat dit geld moet worden teruggegeven aan de joodse gemeenschap. Het ministerie van Financiën wil pas reageren op de aanbevelingen, als alle onderzoek zijn afgerond.

Scholten blijft bij zijn eerdere oordeel dat de banken zich ,,niet stelselmatig'' hebben verrijkt en zegt dat er niet meer dan 10.000 gulden aan tegoeden is blijven zitten. Alleen banken die in de oorlog aandelen van Liro hebben gekocht en doorverkocht, zouden de joodse gemeenschap ook een bedrag ter beschikking moeten stellen.

CJO-woordvoerder Naftaniël noemt het rapport grotendeels ,,grondig'', maar ziet enkele lacunes. ,,De rol van De Nederlandsche Bank blijft onderbelicht. Creditgelden blijven buiten beeld''.

ZWARTE BLADZIJDE pagina 3