Beknopt overzicht affaire Lockheed

In de zomer van 1975 verschijnen in de Amerikaanse pers verhalen over bemoeienissen van prins Bernhard, dan inspecteur-generaal der Nederlandse strijdkrachten, met de verkoop van Amerikaanse vliegtuigen.

Eerst gaat het over mogelijke betalingen door Northrop aan de prins, later komt Lockheed, fabrikant van de Orion en de F104 Starfighter, in beeld. Op 4 december 1975 meldt de Amerikaanse zakenkrant Wall Street Journal dat Bernhard van Lockheed in de jaren zestig diverse vergoedingen heeft ontvangen: eerst 1.1 miljoen dollar (destijds 4 miljoen gulden), daarna nog eens 100.000 dollar.

Deze betalingsregeling staat beschreven in het dagboek van Ernst Hauser, toenmalig directeur van het Lockheed–kantoor in Koblenz. Namens de prins komt de RVD met een ontkenning.

Nederlandse dagbladen reageren terughoudend en pas in februari 1976 komt hier het eerste verhaal naar buiten. In de Verenigde Staten is een senaatscommissie onder leiding van Frank Church dan al begonnen met een uitgebreid onderzoek naar smeergeld en omkopingspraktijken. Gelet op de ernst van de beschuldigingen besluit het kabinet Den Uyl om een onderzoekscommissie van drie personen in te stellen. Het onderzoek wordt geleid door A.M.Donner, rechter bij het Europese Hof van Justitie. Zes maanden later brengt de commissie verslag uit.

Bewijzen dat prins Bernhard daadwerkelijk steekpenningen heeft aangenomen zijn niet gevonden. Wel beschikt men over handgeschreven briefjes van de prins aan Lockheed waarin hij om enkele miljoenen guldens aan commissie verzoekt. Vastgesteld wordt ook dat Lockheed per cheque 100.000 dollar heeft betaald aan Victor Baarn en de commissie–Donner neemt aan dat het om een fictieve naam gaat.

Verder is gebleken dat op naam van A.Pantchoulidchew 1.1 miljoen dollar is overgemaakt, in drie termijnen. Deze uit het Tsaristische leger gevluchte kolonel woonde samen met prinses Armgard, de moeder van Bernhard. Volgens de commissie–Donner heeft de prins er zelf toe bijgedragen dat de directeuren van Lockheed, zoals ze in besloten kring tegenover de Amerikaanse onderzoekers verklaarden, er van uitgingen dat de betalingen voor hem bestemd waren. ,,Dat die indruk zeer werd versterkt door de inschakeling van de heer Pandchoulidzew als tussenpersoon hoeft geen betoog. Dat de prins daarvan niets zou hebben geweten is niet wel denkbaar'', aldus de onderzoekers.

Het kabinet–Den Uyl ontheft de prins uit alle militaire functies en doet geen aangifte, mede om een constitutionele crisis te vermijden.