ARMENIË

Tweeduizend jaar lang is Armenië een brug geweest tussen oost en west, tussen noord en zuid: het ligt op een kruispunt. De oude cultuurnatie aan de zuidflank van de Kaukasus zou die rol, nu ze na zeven decennia weer onafhankelijk is, graag opnieuw willen spelen. In plaats daarvan is Armenië – dat in de vierde eeuw 's werelds eerste christelijke staat was met een even oude literatuur – geïsoleerd, verpauperd, gefragmenteerd.

Voor zijn rol in de geschiedenis, die rol van brug, hebben de Armeniërs eeuwenlang een zware prijs betaald. Hun land werd steeds weer onder de voet gelopen door machtige legers die eeuw na eeuw, trekkend van oost naar west en van noord naar zuid en omgekeerd, over Armeens grondgebied kwamen. De geschiedenis van de Armeniërs is een geschiedenis vol genocides. Het maakte hen tot de joden van de Kaukasus, een volk met een diaspora. Er wonen meer Armeniërs op verre plekken – van Libanon en Syrië tot Argentinië, Australië, de VS en West-Europa – dan in Armenië zelf.

Het is een volk van sobere, stille mensen, een volk vol trauma's, dat alleen heeft kunnen overleven door wanhopig vast te blijven houden aan de eigen orthodoxe kerk, het eeuwenoude alfabet en de eigen taal. ,,Vergeet alles, vergeet desnoods je moeder, maar vergeet nooit je alfabet'', zegt een Armeense moeder in het gedicht Brief aan mijn zoon.

De instorting van de Sovjet-Unie was een bevrijding. Voor het eerst na de korte onafhankelijkheid in 1918-1920 bestond er weer een zelfstandig Armenië. Maar die instorting was ook een ramp. Als geen andere Sovjet-republiek was Armenië economisch verweven met de Sovjet-economie. Veertig procent van alle bedrijven maakte deel uit van het militair-industrieel complex van de Sovjet-Unie en was in 1991 ten dode opgeschreven. Vrijwel alle export ging naar andere Sovjet-republieken, een markt die wegviel. Armenië was voor 90 procent afhankelijk van de import uit Rusland en Centraal-Azië.

Nog een tweede ramp drukte een loodzwaar stempel op de gang van zaken in Armenië na 1991: de oorlog om de door Armeniërs bevolkte enclave in Azerbajdzjan, Nagorny Karabach. Tussen 1988 en de wapenstilstand van 1994 vochten de Karabach-Armeniërs zich vrij. Maar ook hiervoor werd economisch een enorme prijs betaald: de steun aan de opstand kostte de Armeniërs hun geringe welvaart. Azerbajdzjan sloot zijn grens. Turkije sloot zijn grens. In afwachting van een regeling zijn die grenzen nog steeds gesloten. Sindsdien is Armenië alleen bereikbaar via de lange, moeilijke en kwetsbare route door Georgië en is het feitelijk geïsoleerd. Vroeger werd 85 procent van de invoer en de uitvoer afgewikkeld via spoorlijnen door Azerbajdzjan, die nu niet meer functioneren.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie en de oorlog vormen een dubbele ramp die het leven in Armenië nog steeds bepaalt. In 1997 begon de economie eindelijk weer wat op te krabbelen, tot de Russische crisis van vorig jaar een nieuwe ineenstorting veroorzaakte. Verpaupering, fragmentatie, wanhoop, instabiliteit, cliëntelisme en criminaliteit vormen de slagwoorden. Zij bepalen de sfeer. Het dieptepunt was de bestorming, in oktober van dit jaar, van het parlement door een handvol terroristen, die de premier, de parlementsvoorzitter, een minister en drie parlementariërs doodschoten en het land politiek onthoofdden.

Tweeduizend jaar heeft Armenië, klein en kwetsbaar, een grote broer gezocht. Het doet het weer: het kijkt naar Rusland. Maar Rusland is een slechte, zwakke en vooral egoïstische grote broer: het probeert zijn greep op de zuidelijke Kaukasus te handhaven door de drie landen daar, Armenië, Georgië en Azerbajdzjan, zwak te houden. Rusland wakkert conflicten aan, stookt ruzies op, speelt partijen en landen tegen elkaar uit. Hoe zwakker Armenië, Azerbajdzjan en Georgië, hoe groter de Russische invloed. Alleen: de Armeense tragiek is dat een andere grote broer wijd en zijd niet voorhanden is.