EMU is gebaat bij deelname Britten

Wanneer Groot-Brittannië zich niet committeert aan de EMU zullen de economische en politieke kosten zeer hoog zijn, omdat het zich op den duur niet aan deze Europese orde kan onttrekken, meent Sylvester Eijffinger.

De discussie omtrent de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Economische en Monetaire Unie wordt in het algemeen in termen van economische kosten en baten gevoerd, dan wel op basis van politieke argumenten die meestal weinig tastbaar en soms zelfs emotioneel van aard zijn. De eurosceptici in de Conservatieve Partij, die zelfs aan het verlaten van de Europese Unie denken, zijn natuurlijk de exponent hiervan. Vaak wordt vergeten dat die discussie ook een andere dimensie heeft, namelijk die van de institutionele vormgeving van de toekomstige economische orde in Europa.

De ontstaansgeschiedenis van de ECB (het Verdrag van Maastricht en de statuten van de ECB die in 1991 onder sterke Duitse en Franse invloed opgesteld werden) heeft ertoe geleid dat de ECB de meest onafhankelijke centrale bank ter wereld werd met prijsstabiliteit als enige doelstelling van het monetaire beleid. Daarover zijn de meeste Europese academici en beleidsmakers nog steeds tevreden wegens de lage inflatieverwachtingen en kapitaalmarktrentes die daaruit voortvloeien. Niettemin kan worden gesteld dat de democratische verantwoording en de transparantie van de ECB statutair onvoldoende geregeld zijn, ondanks de inspanningen van de ECB zelf en zijn president, Wim Duisenberg, om dat tekort te verhelpen met uitgebreide persberichten en persconferenties.

De cruciale vraag is: had de tekortkoming in de statuten van de ECB vermeden kunnen worden indien Groot-Brittannië zich werkelijk had gecommitteerd aan deelname aan de EMU (zij het op een later tijdstip dan andere lidstaten)? Het antwoord moet `ja' luiden. Als Groot-Brittannië zich in principe verbonden had aan toetreding tot de EMU, zou het zeker een effectievere invloed hebben kunnen uitoefenen op de institutionele vormgeving van de ECB en de typisch Angelsaksische deugden van accountability en transparantie meer en directer hebben kunnen doordrukken. Helaas hebben de Britten zich toen niet gecommitteerd en de trein van het Europese monetaire beleid gemist. Groot-Brittannië zal echter zeker toetreden omdat de economische en politieke kosten van een plaats aan de zijlijn uiteindelijk te hoog zijn.

Met betrekking tot de institutionele vormgeving van de toekomstige Europese economische orde kunnen ten minste vier terreinen onderscheiden worden die doorslaggevend zullen blijken te zijn voor het functioneren van Europese markten en instellingen. Het eerste terrein is de verdere vormgeving van concurrentiebeleid en deregulering door de Europese Commissie. Het pionierswerk van oud-commissaris Karel van Miert zal ongetwijfeld voortgezet worden door de nieuwe commissaris Mario Monti, die hopelijk ook de regels van het concurrentiespel explicieter en transparant zal maken. Uiteindelijk zal Monti er niet aan ontkomen de logische consequentie van deze ontwikkeling aan de orde te stellen: de oprichting van een Europese Concurrentie Autoriteit (ECA) die onafhankelijk is en ongevoelig voor politieke druk van de lidstaten van de Europese Commissie en het Europese Parlement. Zo'n ECA is nodig om inconsistentie in de tijd terzake van het Europese concurrentiebeleid te voorkomen.

Het tweede gebied is de flexibiliteit van arbeids- en productmarkten die in eerste instantie onder de directe verantwoordelijkheid van de EU-lidstaten valt. Een paar weken geleden verhoogde de ECB haar rentetarieven met een half procent om de inflatieverwachtingen terug te brengen, vooral in de kleine en middelgrote economieën, zoals Ierland, Nederland, Portugal en Spanje. Deze renteverhoging is enige tijd tegengehouden door de grote EMU-landen, Duitsland, Frankrijk en Italië, die nog steeds een relatief bescheiden economische groei kennen. Op zijn persconferentie van 4 november moedigde Duisenberg deze landen (hoewel hij ze niet expliciet noemde) aan `to make convincing progress in the structural reform of labour and product markets' om de groei en werkgelegenheid aldaar te stimuleren. Kleine landen als Nederland hebben te weinig invloed om marktflexibiliteit op de Europese politieke agenda te krijgen. Het is evident dat, indien Groot-Brittannië onderdeel zou zijn van euroland en zou participeren in de Euro-11-raad, het debat zich eerder ten gunste van marktflexibiliteit zou ontwikkelen.

Het derde terrein is belastingconcurrentie en belastingharmonisatie waarvoor Eurocommissaris Bolkestein verantwoordelijk is. Duitsland en Frankrijk waren de afgelopen jaren zeer terughoudend en zelfs onwillig om te spreken over coördinatie en harmonisatie van bron- en andere belastingen. Onder druk van (dreigende) belastingconcurrentie en de erosie van hun belastingbasis zijn deze landen nu wel bereid om de coördinatie en harmonisatie van sommige belastingen te bespreken. Blijkbaar is de dreiging van belastingconcurrentie noodzakelijk om een fundamenteel debat over Europees belastingbeleid te hebben. Het gevaar is echter dat, wanneer alleen op het Europese vasteland dit debat wordt gevoerd, de neiging om nationaal belastingbeleid te coördineren of te harmoniseren zou kunnen doorschieten. Een te sterke belastingharmonisatie zou niet in het belang zijn van een kleine, open economie als Nederland. Daarom is het wenselijk dat Groot-Brittannië met zijn natuurlijke geneigdheid tot belastingconcurrentie een volwaardige en matigende rol op dit gebied speelt. Wanneer de regels van het belastingspel vastgesteld zijn, zal het te laat voor de Britten zijn om nog enige invloed hierop uit te oefenen.

Het vierde gebied van institutionele vormgeving betreft de pensioenstelselherziening in de meeste Europese landen. Nederland en Groot-Brittannië zijn de enige EU-lidstaten met (publieke of private) `funded' pensioenstelsels in die zin dat de voorraad pensioenactiva 75 procent of meer van het bruto binnenlands product bedraagt. De overige lidstaten hebben `unfunded' of Pay-As-You-Go pensioenstelsels die qua `funding' aangepast moeten worden met het oog op de vergrijzing in deze landen. Sommige economen, zoals Martin Feldstein, geloven dat een pensioenstelselherziening zodanige additionele welvaartseffecten genereert dat de overgangskosten naar een `funded' stelsel beperkt zullen zijn. Recente empirische studies tonen daarentegen aan dat de overgangskosten aanzienlijk zullen zijn. De herziening van pensioenstelsels zal hoe dan ook enorme gevolgen voor de Europese kapitaalmarkten hebben en dus ook voor financiële centra als Amsterdam en Londen. Het behoeft geen betoog dat de Nederlandse en Britse belangen op dit terrein parallel lopen.

Het is zowel in het Britse als in het Nederlandse belang dat Groot-Brittannië volwaardig en effectief betrokken wordt bij de discussie over de toekomstige economische orde in Europa. De Angelsaksische visie en argumenten zijn in deze fase van institutionele vormgeving onmisbaar voor het vinden van de juiste balans en als tegenwicht voor de conservatieve manier van denken in de grote Europese landen.

De kleine en middelgrote landen, inclusief Nederland, hebben tot nu toe onvoldoende invloed op dit proces van institutionele vormgeving gehad om voor de toekomst gerustgesteld te zijn. Groot-Brittannië kan, in geval van een volledige betrokkenheid bij Europa, de wip in de juiste richting doen omslaan. Echter, indien Groot-Brittannië afzijdig en gereserveerd ten opzichte van Europa blijft door zich niet te committeren aan de EMU en andere sporen van Europese integratie, dan zullen de economische en politieke kosten hiervan op lange termijn zeer hoog zijn omdat het zich op den duur niet aan deze Europese orde kan onttrekken.

Prof.dr. Sylvester C.W. Eijffinger is hoogleraar Europese financiële en monetaire integratie aan de Katholieke Universiteit Brabant en Research Fellow van het Centre for Economic Policy Research te Londen. Dit artikel is een bewerkte versie van een lezing tijdens een seminar over de Economic and Political Arguments for British EMU membership.