`Dit is goed voor positie koningin'

Het is tijd voor een debat over de rol en positie van het koningshuis in het staatsbestel, meent PvdA'er P. Rehwinkel. De Tweede Kamer moet zelf meer initiatief houden bij formaties. En de koningin moet uit de regering.

Het behoort tot de subtiliteiten van het Nederlandse staatsrecht: de woorden regering en kabinet betekenen niet hetzelfde. De regering wordt gevormd door de koningin en `haar' ministers. Het kabinet bestaat uit de ministers en staatssecretarissen.

Als bij Europese Raden wordt gesproken over `de staatshoofden en regeringsleiders', dan is premier Kok hierbij strict genomen niet inbegrepen. In het verleden spraken Europese communiqués ook wel over `de staatshoofden, regeringsleiders en de Nederlandse minister-president'.

De praktijk is inmiddels anders. De minister-president heeft zich in de afgelopen decennia feitelijk tot regeringsleider ontwikkeld, zoals de PvdA'er Peter Rehwinkel, Tweede-Kamerlid sinds 1995, heeft beschreven in zijn proefschrift uit 1991. Het wordt tijd om deze praktijk nu eens formeel in de grondwet vast te leggen, meent Rehwinkel. ,,Nederland neemt tussen de Westerse democratiën echt een uitzonderlijke plaats in, met een monarch als staatshoofd die ook deel uitmaakt van de regering. In België wordt de regering gevormd door de eerste minister, de ministers en de staatssecretarissen. De Scandinavische staatshoofden zijn geen lid van de regering. Met het oog op de Europese integratie moet Nederland ook eens kijken naar de plek van het staatshoofd in het staatsbestel.''

Onder politici heerst een code: brand je vingers niet aan de monarchie. Uit opiniepeilingen blijkt jaar na jaar dat het Huis van Oranje mag/moet blijven, naar het oordeel van ruim driekwart van de Nederlanders. Discussies over de monarchie worden al snel bestempeld als verkapte pleidooien voor een republiek. De PvdA praat niet graag over het koninklijk huis sinds ze in de jaren tachtig de polarisatie heeft afgezworen. Het onderwerp is er bijna even beladen als de fiscale aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Binnen GroenLinks, een partij met republikeinse wortels, wordt een debat over de monarchie afgedaan als `niet opportuun'.

PvdA'er Rehwinkel zegt zich ,,al jaren te storen aan de kramp'' over de monarchie. ,,Iedere discussie wordt meteen betrokken op de personen achter het koningschap, op het functioneren en de opvattingen van leden van de koninklijke familie. Daar wil ik het absoluut niet over hebben. Over de praktijk hoeven wij als Kamer alleen te praten met de ministerieel verantwoordelijke bewindslieden. De discussie over de monarchie moet vooral los van personen en ook zo veel mogelijk los incidenten kunnen worden gevoerd.''

Het is tegen deze achtergrond dat Rehwinkel een discussie wil heropenen over de rol van de Tweede Kamer bij kabinetsformaties. De ervaring leert dat de Nederlandse koning alleen dan politieke ruimte kan nemen wanneer politici die ruimte bieden. Anders gezegd: een sterke koning bestaat binnen de Nederlandse constitutionele verhoudingen alleen bij de gratie van zwakke en/of verdeelde politici.

Dit mechanisme kan aan het licht komen bij kabinetsformaties, waarbij Kamerfracties afzonderlijk advies uitbrengen aan de koningin. Hoe verdeelder de fracties, hoe meer de koningin is gedwongen zelf tot een besluit te komen. Rehwinkel: ,,Ik vind het echt een brevet van onvermogen dat Kamerfracties niet in onderling overleg met een meerderheidsadvies aan de koningin komen over het benoemen van informateurs en formateurs. Dit moet onderdeel zijn van de normale parlementaire beraadslagingen en niet meer exclusief vallen onder het Geheim van Noordeinde. Dat is duidelijker voor de kiezers en daarmee democratischer.''

Rehwinkel ziet nog een reden waarom de Kamer het initiatief bij formaties meer aan zichzelf moet houden. ,,Het voorkomt dat achteraf discussie ontstaat over beslissingen van de koningin, zoals gebeurde bij de formaties van 1981 en 1994. Als de Kamer zelf niet tot een besluit komt, kan niemand vervolgens kritiek hebben wanneer de koningin een knoop doorhakt. Uiteindelijk kan dit de onafhankelijke positie van de koningin ten goede komen.''

In februari 1971 aanvaardde de Tweede Kamer een motie van de KVP'er Kolfschoten waarin werd uitgesproken dat de Kamer zelf het initiatief moet nemen bij het aanwijzen van (in)formateurs. Hiervan kwam niets terecht. Rehwinkel: ,,Toen mislukte het doordat de politieke verhoudingen zeer gepolariseerd waren. In het huidige klimaat van consensus maakt het meer kans van slagen.''

Van Rehwinkel hoeft een staatsrechtelijk debat over de Nederlandse monarchie ,,niet automatisch'' uit te monden in een pleidooi voor een ceremonieel koningschap naar Scandinavisch model: ,,Die voorbeelden zijn op onderdelen veel minder a-politiek dan wel wordt gesuggereerd. En los daarvan verzandt een discussie dan in theorie. Het lijkt mij zinvoller om de monarchie op concrete onderdelen tegen het licht te houden. Dat is in Nederland al moeilijk genoeg.''