Verkenning van Mars moet gewoon doorgaan

De recente tegenslagen in het Mars-onderzoek moeten ons niet weerhouden van het organiseren van nieuwe Mars-verkenningen, meent James F. Bell.

We gaan naar Mars. En we gaan ook opnieuw naar de maan, en naar Europa, Titan, Vesta en nog allerlei andere interessante en exotische hemellichamen in het zonnestelsel en daarbuiten. De vraag is dan ook niet óf maar wanneer.

Al eeuwen geleden zijn we deze onverbiddelijke weg ingeslagen en de dorst naar nieuwe ontdekkingsreizen stroomt ons nog steeds door de aderen en gonst door in onze verhalen over de heldendaden van Odysseus, Columbus, Magalhaes, Cook, Hillary en natuurlijk Armstrong en Aldrin.

Ontdekkingsreizigers hebben door de eeuwen heen talloze motieven voor hun tochten gehad – het zoeken naar nieuwe handelsroutes, religieus gemotiveerde veroveringsdrang, de pragmatische behoefte nieuwe landen te verkennen. Slechts zelden werden zij gedreven door wetenschappelijke ijver of honger naar pure kennis. Ook de meeste wetenschappers zullen grif toegeven dat een van de grootste reisavonturen uit de geschiedenis van de mensheid – de Apollo-maanlandingen in 1969-1972 – niet is ondernomen om de oorsprong van de maan te leren kennen (het uiteindelijke rendement van Apollo), maar als spierballenvertoon tijdens de Koude Oorlog. Het is geen toeval dat de eerste wetenschapsman op de maan ook de laatste was.

Waarom willen we onze blauwe voedsterplaneet verlaten en naar een dorre, vijandige, ijskoude rode wereld reizen? Er zijn al tal van redenen geopperd, zowel goede als slechte, die variëren van de zuivere dorst naar kennis en ontdekking tot meer excentrieke plannen om het mensdom over te planten naar Mars als garantie tegen zelfvernietiging.

Als wetenschapper word ik gefascineerd door de kennis die we over Mars, de aarde en onze eigen oorsprong zouden kunnen opdoen door de geologie, de chemie, het klimaat en wellicht zelfs de biologie van onze nauwst verwante buurplaneet te onderzoeken. In elk geval is dat wat mij en mijn collega-wetenschappers en -technici van diverse generaties heeft gemotiveerd om Mars met robots te verkennen. Deze mechanische ambassadeurs, met heldhaftige namen als Viking, Mariner en Pathfinder, stelden ons in staat om tamelijk veilig en voordelig een hele wereld te ontdekken in wat ooit slechts een lichtvlekje was. Hun verkenningen hebben ons geleerd dat Mars vroeger een heel andere planeet is geweest dan thans, en aan het begin van zijn bestaan wellicht zelfs een aarde-achtig klimaat heeft gekend. Maar zelfs de robotmissies zijn niet zonder risico gebleken.

Want Mars is nu eenmaal heel moeilijk te bereiken. Dat is ons recent nog eens pijnlijk duidelijk gemaakt door het mislukken van alle vier Mars-sondes die de NASA in 1998-1999 heeft gelanceerd (Mars Climate Orbiter, Mars Polar Lander en de twee identieke DS2-microsondes), en door het verlies van bijna de helft van alle voorgaande Amerikaanse en Russische Mars-sondes. Ook voor elektronische intelligentie blijft het een hachelijke onderneming.

Inmiddels zijn de NASA en andere ruimtevaartinstanties op de lange termijn gaan denken. Het verlies van een paar onbemande missies mag niet de nekslag zijn voor wat is opgezet als een tienjarig project met verkenningsrobots dat moet culmineren in een retourvlucht naar de aarde met materiaalmonsters van Mars.

De NASA gokt erop dat weinig kostende maar veelzijdige ruimteschepen Mars steeds meer geheimen zullen ontfutselen en dat de belangstelling bij zowel wetenschap als publiek levend zal worden gehouden en verder zal worden vergroot door nieuwe en wellicht opzienbarende ontdekkingen die wij met onze apparaten op afstand doen.

Intussen worden in stilte en op bescheiden schaal experimenten van de NASA-afdeling bemande ruimtevluchten toegevoegd aan tal van onbemande wetenschappelijke missies die op stapel staan voor de volgende lanceergelegenheid in 2001. Deze experimenten zijn bedoeld om ons inzicht te vergroten in de meest efficiënte manieren waarop de mens zelf Mars zou kunnen verkennen. Dat men een lange-termijnstrategie volgt, rechtvaardigt natuurlijk niet het tragische verlies van recente Mars-sondes, maar het plaatst het bijbehorende risico wel in de juiste context. De NASA hoopt uiteraard dat de belastingbetaler het hiermee eens is. Anderen beweren wellicht dat we de technologie om mensen naar Mars en terug te laten reizen, of zelfs opnieuw en voor langere tijd naar de maan, eenvoudig nog niet beheersen en dat de kosten van zo'n reis in het huidige politiek-economische klimaat niet te rechtvaardigen zijn.

Maar ik ben een optimist. Volgens mij gáán we – naar Mars en verder, gemotiveerd hetzij door een toekomstige, nog onvoorzienbare politiek van nationale trots en prestige, hetzij door de belofte van potentiële winst, de nieuwsgierigheid van toeristen of zelfs door het eenvoudige en nobele nastreven van wetenschappelijke waarheden of internationale samenwerking. Het zal duur en riskant zijn, maar tevens een groot en vreedzaam avontuur dat door iedereen wordt gedeeld. Het kan morgen beginnen of over honderd jaar. We hoeven er alleen maar de wil voor op te brengen.

James F. Bell is hoogleraar sterrenkunde aan de Cornell-universiteit en lid van het team dat werkt aan de volgende Marslandingsmissie, te lanceren in 2001. ©LAT-WP Newsservice