`Tony, vergeet je handtasje niet'

De EU-top van Helsinki heeft volgens de Britse premier Blair bewezen dat `constructief engagement' met Europa werkt. Toch blijft de heimwee naar Thatchers handtasje.

Britten vragen zich wel eens af waar het heen moet met hun land. Niet Tony Blair, tenminste niet in het openbaar. Onlangs stak de Britse premier in de Guildhall, het middeleeuwse stadhuis van de City, de twijfelaars een hart onder de riem.

,,We zijn de onthoudingsverschijnselen van het verloren Empire nu te boven'', zei hij op het jaarlijkse banket van de Lord Mayor, de voorzitter van de rijkste Londense stadsdeelraad. Het Verenigd Koninkrijk moet niet langer een eenzame supermacht willen zijn, maar ,,een spil, het kruispunt van de allianties'', aldus een stralend-optimistische Blair. ,,Betrokken, open, dynamisch, een partner en, waar mogelijk, een leider in ideeën en invloed'', met ,,gewicht in Europa en een stem in Washington''.

Met die politiek van het ,,constructieve engagement'', zet Blair zich af tegen voorgangers die zich beurtelings dromend, weifelend, mokkend en dreigend terugtrokken op hun groene eiland. De afgelopen Europese top in Helsinki had moeten bewijzen dat die politiek werkt. En misschien is dat ook zo. Want de besluitenlijst van `Helsinki' valt samen met wat kringen rond Blair een dag vóór de top nog ,,onze strategische doelen'' noemden: het kandidaat-lidmaatschap van Turkije, groen licht voor een autonome Europese `defensie-identiteit', uitzicht op verdere hervorming van Europese instituties en uitstel van belastingharmonisatie om de City te beschermen.

Maar aan het hoongelach te horen, dat nu opklinkt uit de Britse oppositiebanken en een deel van de pers, is van succes geen sprake. Integendeel, de Frans-Britse `rundvleesoorlog' en het Britse veto tegen een Europese belasting op spaargeld zouden Blair ,,ruzie en isolement'' hebben bezorgd, aldus Tory-leider William Hague gisteren. ,,Het is de complete mislukking van [zijn] Europa-strategie''.

In plaats van zijn ,,vernederende'' softly-softly benadering had Blair beter met de handtas kunnen zwaaien, zoals Margaret Thatcher die geld terug kreeg uit de Europese landbouwpot, luidt de binnenlandse kritiek. En ook de sociale opt-out die John Major bedong in Maastricht, bewijst dat Europa alleen naar de Britse regering luistert als die met de vuist op tafel slaat.

Blair houdt intussen stug vol dat `constructief engagement' werkt. Om Frankrijk zijn importverbod op Brits rundvlees te laten opheffen, is een gang naar het Europese Hof nodig, niet het lik-op-stuk waar de tabloid-pers om krijst, aldus Blair.

Toch is zijn optimisme over Brits leiderschap in Europa na `Helsinki' omgeslagen. ,,Ik ga mijn land niet in de steek laten alleen voor een paar krantenkoppen in de krant van morgen door het spelletje van de Eurosceptici mee te spelen'', aldus een defensieve Blair in Helsinki. Over het Britse belastingveto was het niet anders. ,,Als we moeilijkheden met Europa hebben, zullen we die oplossen, hard indien nodig en nee-zeggend, zoals we nu over de belastingkwestie doen'', zei hij geprikkeld.

Wie na `Helsinki' een rondje door Duitse, Franse en Spaanse kranten maakt, kan begrijpen waarom Blairs woordvoerder zegt dat een deel van de Britse pers ,,in een parallel universum leeft''. Hun buitenlandse collega's schreven vooral over de `historische resultaten' van de top: uitbreiding van de EU en vormgeving van de defensie-identiteit. Franse journalisten prijzen Blairs kalmte over de rundvleesboycot.

Toch bezorgt de `tunnelvisie' van zijn binnenlandse critici Blair een dilemma. Want hun kritiek maakt het moeilijk om grotere Britse betrokkenheid bij Europa in eigen land te verkopen. Hij mag een reusachtige meerderheid in het parlement hebben, dat geldt niet voor het onderwerp Europa, dat zijn landgenoten ongeacht politieke kleur blijft verscheuren. Vleesboycots en veto's wekken de indruk dat Europa Britse `soevereine' macht wegzuigt. Het door Blair beloofde referendum over invoering van de euro lijkt na Helsinki daarom verder weg dan ooit.

Het gebrek aan binnenlandse armslag beperkt ook Blairs buitenlandse manoeuvreerruimte. Juist omdat hij zich buiten de economische unie bevindt, kan hij op andere gebieden niet met de handtas zwaaien. Blair heeft geen alternatief voor ,,aardig zijn tegen Europa in de hoop dat ze ook aardig zijn tegen hem'', zei Charles Grant, directeur van het Center for European Reform, een Londense denktank, na het oplaaien van de vleescrisis tegen deze krant.

En dan nog is het gewicht van de ,,dynamische Europese partner'' beperkt. Neem het overnamebod van het Britse mobiele telefonie-bedrijf Vodafone op het Duitse Mannesmann, dat de Duitsers op protectionistische gronden liefst niet zien slagen. Blair kan fair play eisen en wijzen op de Duitse overnames van Britse automerken als Rover en Rolls Royce. Maar meer stemverheffing schaadt zijn geloofwaardigheid als anti-interventionistische `Derde Wegger'.

Iets soortgelijks geldt voor defensie. Blair, krachtig voorstander van een militair autonomer Europa, wil dat dit wordt geschraagd door een geïntegreerde luchtvaart- en defensieindustrie. Maar die droom spatte uiteen toen defensiereus British Aerospace, tegenwoordig BAe Systems, het Duitse Dasa begin dit jaar een blauwtje liet lopen. De woedende Duitsers kozen daarop een Franse partner en BAe is nu in onderhandeling met het Amerikaanse Boeing.

Miljardenprojecten waarmee de Britten kunnen bewijzen een Europese luchtvaart- en defensieindustrie serieus te nemen staan intussen op losse schroeven. British Airways, de grootste Europese luchtvaartmaatschappij, heeft voorlopig geen behoefte aan de nieuwe superjumbo: het A3XX verkeersvliegtuig met 600 stoelen dat bij Airbus op de tekentafel staat. Een eveneens bij Airbus te bouwen Europees transportvliegtuig voor de nieuwe interventiemacht is eveneens onzeker, want het Britse militaire establishment winkelt liefst transatlantisch.

Blairs Britain mag dan afscheid hebben genomen van het Empire, aan Europa blijft het voorlopig wennen.