Taal

In 1770 reed de veertienjarige Oostenrijkse prinses Maria Antonietta in een kristalglazen koets van Wenen naar Frankrijk om daar met koning Lodewijk XVI te trouwen. Op een eiland in de Rijn was voor de gelegenheid een houten paviljoen gebouwd. De grens tussen Duitsland en Frankrijk liep door het midden van de tafel in de grote hal van dit paviljoen.

In de laatste kamer voor de grens werd Maria door haar Oostenrijkse begeleiders geheel naakt uitgekleed. Geen lint en geen haarpen mocht op haar lijf blijven. Vervolgens werd zij aan de Fransen overgegeven, die haar aankleedden met Franse stoffen. Jurken van Franse zijde, kousen uit Lyon, schoenen gemaakt door de schoenmaker van het Hof in Versailles. Op dat moment werd de Oostenrijkse Maria Antonietta de Franse Marie Antoinette.

Zeventienhonderdzeventig zegt u?

Tijdperk dat in het moderne onderwijs alleen nog maar wordt aangeduid met `lang geleden', zonder nadere specificatie. Die indruk krijg je tenminste uit het artikel, afgelopen vrijdag in het CS, over de historische collecties van Nederlandse musea.

,,Je kunt er niet langer van uitgaan dat jongeren weten wie Jezus is'', zei de conservator van het Catharijneconvent. En de directeur van het Rijksmuseum van Oudheden zei: ,,Ze hebben geen tijdsbesef. Hun opa en oma zijn oud, dan had je nog de Tweede Wereldoorlog, maar daarachter wordt het vaag.''

Geen wonder dat de mensen van de musea de pretentie hebben opgegeven om het publiek iets over het verleden te leren. Ze willen nu met hun oude voorwerpen slechts een gevoel oproepen. Het gevoel dat er een verleden heeft bestaan waarin niet alles was zoals nu.

Ach, ik deed zelf niet anders met dat verhaaltje over de transformatie van Maria tot Marie. Ik vond het in De ondergang van Kasj van Roberto Calasso. Een mooi en vreemd boek, maar daar gaat het nu niet om.

De Fransen behandelden Maria in 1770 zoals ze nu de Engelse woorden willen behandelen die het Frans dreigen binnen te sluipen.

In Nederland wordt daar om gelachen. Buitenlandse woorden vernederlandsen, dat vinden we iets voor Belgen en Zuid-Afrikaanse Boeren. Marc Chavannes had vrijdag in zijn CS-stuk over de pogingen tot verfransing van Engelse woorden niet die vervelende lacherige toon, maar dat nam niet weg dat de wereld die hij beschreef ons zeer vreemd is. Alleen de namen al. Het Ministerie van Francofonie. De Commissie Terminologie en Neologie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De Onsterfelijken. Het doet eerder denken aan een langvergane mandarijnencultuur dan aan een modern land.

Het lukt de Fransen ook niet zo goed om de Engelse insluipers buiten de deur te houden, maar de pogingen hebben toch iets indrukwekkends, zeker als je ze vergelijkt met de Nederlandse houding, die precies omgekeerd is.

Hans van Mierlo werd gisteren in Parijs benoemd tot commandeur in de orde van het Légion d'Honneur en in zijn dankwoord noemde hij Frankrijk het land van oh la la. Zelf denk ik bij Frankrijk eerder aan een soort intellectuele strengheid die wij in Nederland node missen.

Het werd hier een tijdje als vooruitstrevend beschouwd als Nederlandse docenten colleges gaven in het Engels, voor een gehoor van voornamelijk Nederlandse studenten. De studenten die dat in het begin ook vooruitstrevend vonden schijnen nu die colleges weer te verlaten, omdat ze het Engels van hun Nederlandse docenten niet kunnen verstaan. Ook als het wel verstaan werd zou zo'n college toch bijna altijd van mindere kwaliteit zijn dan wanneer het in de eigen taal zou zijn gegeven.

Voor een schaakblad schrijf ik af en toe artikelen in het Engels. Het is leuk om te doen en het lukt ook heel aardig, ook doordat de fouten er door iemand anders worden uitgehaald. Maar als ik mijn Engelse stukken lees, zie ik een ander mens dan ik in het Nederlands ben.

Het is prettig om een tijdje iemand anders te zijn en menigeen heeft op vakantie in de Verenigde Staten tot zijn vreugde gemerkt dat hij door het gebruik van het Engels minder verlegen en directer werd. Maar voortdurend iemand anders zijn, noodgedwongen, is niet prettig. Het is een vaak gehoorde klacht van emigranten, ook als ze de taal van hun nieuwe land goed beheersen. Ze hebben het gevoel dat de mensen daar hen niet goed kennen, omdat ze in de nieuwe taal een ander mens zijn dan ze thuis waren. Een minder mens.

De schrijver van mijn Engelse stukken is directer en feller dan ik zelf ben. Hij is ook wat primitiever en hij zegt de dingen zoals ze bij hem opkomen, zonder veel versiersels. Hij is meer een algemene mens en minder een individu. Hij is minder dan ik.

Er valt natuurlijk weinig aan te doen dat de voertaal op allerlei internationale bijeenkomsten Engels is. Je kan niet overal tolken neerzetten en erg prettig voor de deelnemers aan internationale congressen zou dat ook niet zijn. Het betekent wel dat wij in de Engelstalige wereld altijd tweederangs mensen zullen zijn, zoals de Vlamingen het vroeger in België waren en de Boeren in het Engelse Zuid-Afrika, alleen al door hun taal.

Als mensen van de tweede rang slaan we een beter figuur dan de Fransen, die vaak een nauwelijks verstaanbaar franco-Engels brabbelen. Zij hebben zich er nog niet mee verzoend dat ze mensen van de tweede rang zijn.

In Nederland is het verleden een ongedifferentieerd `lang geleden' en de rest van de wereld een groot `ver weg'. Er was eens een geruchtmakend televisieprogramma waarin vakantiegangers op een blinde kaart van Europa moesten aanwijzen waar ze waren. Ze hadden geen idee.

De columnist Alex Mol merkte eens op dat het bij het weerbericht van het televisiejournaal net zo toeging. Hij zag dat Brabant en Limburg op de kaart werden aangewezen, maar niet genoemd. Het was `dit gebied'. Polen, Scandinavië en de Balkan waren ook `dit gebied'. Rusland was `dat gebied'. Ik heb het idee dat die algemene vaagheid in tijd en plaats de tegenkant is van ons trotse internationalisme.