Steden en dorpen van Adriaan Lubbers in Laren

Adriaan Lubbers (1892-1954) kreeg voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland en in de Verenigde Staten enige bekendheid als `de schilder van New York'. Waar hij ook woonde, in Parijs of in het dorp Laren, hij schilderde Brooklyn Bridge, Times Square, Central Park, de Hudson River, wolkenkrabbers en nogeens wolkenkrabbers. Bijna dertig jaar lang, van 1926 tot zijn dood in 1954, zou New York het voornaamste thema van zijn schilderijen blijven.

Toen Lubbers in 1916 voor het eerst naar New York reisde, was hij 24. Hij had een opleiding tot werktuigbouwkundige achter de rug en hij was drie jaar in Zuid-Amerika geweest waar hij ondermeer als technisch tekenaar bij het trambedrijf van Buenos Aires aan de kost kwam. Tijdens zijn eerste verblijf in New York, van 1916 tot 1919, hield hij zich met allerlei baantjes in leven, van vishandelaar tot chauffeur en kroegzanger. In zijn vrije tijd tekende hij al wel portretten en stadsgezichten, maar hij zou zich pas serieus aan de kunst gaan wijden nadat hij in 1920 in het Noordhollandse Bergen was gaan wonen.

Op de tentoonstelling van Lubbers in het Singer Museum is goed te zien hoe hij daar in Bergen in de vroege jaren twintig heen en weer zwenkte tussen een bijna pathetisch expressionisme dat vooral in zijn landschappen tot uiting kwam, en een minder dramatische, meer naar het kubisme neigende schildertrant. De invloed van de Bergense School en vooral van Leo Gestel, met wie hij nauw bevriend was, is duidelijk aan zijn werk af te lezen.

Pas omstreeks 1925 zou Lubbers zich losmaken van de Bergense invloed en geleidelijk een eigen vorm vinden. In dat jaar reisde hij door Italië waar hij veel dorpsgezichten maakte. Net als in zijn latere schilderijen van New York toonde hij zich gefascineerd door strakke, hoog-oprijzende vormen. Zo schilderde hij in Toscane het middeleeuwse stadje San Gimignano – waarvan het silhouet met de vele torens onmiddellijk aan New York doet denken – en het tegen een steile rotswand gebouwde Zuid-Italiaanse dorp Positano. In deze schilderijen werd zijn kleurgebruik steeds soberder en is er geen sprake meer van de hevige contrasten uit zijn Bergense periode.

In 1926 keerde Lubbers voor twee jaar terug naar de Verenigde Staten en schilderde hij de eerste van een lange reeks gezichten op New York. Ook bij deze doeken springt het karige kleurgebruik meteen in het oog. Naarmate hij de verf er dikker oplegde, liet hij minder kleur toe, zo lijkt het wel. Het New York van Lubbers is grijzig en somber van toon. Het is alsof hij de stad altijd weergaf op het moment dat de schemering inzet. Er schijnt nooit zon, de lucht is grauw en zelfs sneeuw schilderde hij bij voorkeur in vuil-witte tinten.

Toch was het niet zijn bedoeling de stad desolaat en troosteloos weer te geven. In een interview vertelde Lubbers dat New York de prachtigste stad van de wereld was en dat hij dat in zijn schilderijen wilde laten zien. Misschien was hij bang dat al te sprekende kleuren de aandacht zouden afleiden van de ritmiek en het lijnenspel van de architectuur, van al die imposante kolossen. Want daar was het hem vooral om begonnen. Hij gaf de stad niet realistisch weer, maar rangschikte de gebouwen zoals het hem uitkwam, verzon er zo nodig weleens een wolkenkrabber bij en liet ze ook graag nog wat hoger lijken dan ze waren.

Van 1928 tot 1932 woonde Lubbers in Parijs, daarna vestigde hij zich in Laren. Veel van zijn gezichten op New York zijn hier uit zijn herinnering gemaakt. Maar die herinnering werd wel gevoed: hij reisde nog meermalen terug. Nadat hij in 1934 een bezoek aan Chicago had gebracht, traden er ineens veranderingen op in zijn werk. De composities werden losser, de kleuren lichter en er kwam wat meer zwier in zijn schilderen, zoals bijvoorbeeld te zien is in het schilderij Sleepboten voor Manhattan (1942). Maar deze veranderingen waren niets vergeleken bij de radicale omslag die hij begin jaren vijftig maakte. In zijn laatste gezichten op New York zijn de wolkenkrabbers, straten en pleinen geabstraheerd tot strakke kleurvlakken, tot een soort constructivisme dat al te veel doet denken aan de composities van de schilderes Lou Loeber uit de jaren twintig.

De tachtig schilderijen, tekeningen en litho's die nu in het Singer Museum worden getoond, geven een goed overzicht van het buitenissige oeuvre van Lubbers. Het is opvallend dat het Europese stedenschoon hem niet inspireerde en hij hier vooral dorpen schilderde. Zo werkte hij in de jaren dertig veel in Urk en Spakenburg waar hij enkele indrukwekkende, zeer zwaarmoedige doeken maakte, maar ook het levendige Botter aan de wal (1932).

Tentoonstelling: Adriaan Lubbers (1892-1954); tussen Nederland en New York. Singer Museum, Oude Drift 1, Laren. T/m 20 febr. Open: di-za 11-17u, zo 12-17u. (Gesl. op 25 dec. en 1 jan.)