Oordeel over Bernhard niet correct

Het oordeel van de commissie Donner, die in 1976 concludeerde dat er geen bewijzen waren voor de beschuldiging dat prins Bernhard steekpenningen had aangenomen van vliegtuigbouwer Lockheed, was niet correct.

Dat zeggen onderzoekers die de affaire onderzochten in opdracht van de Amerikaanse Senaat vanavond in een uitzending van het televisieprogramma Reporter. Het is voor het eerst dat de onderzoekers in de openbaarheid treden.

Uit het programma blijkt ook dat de ministerraad verdeeld was over de vraag of alle delen van het rapport Donner openbaar moesten worden. Tijdens een speciale ministerraad op 20 augustus 1976 was een deel van de ministers er tegen om een bijlage met details over de smeergeldaffaire te publiceren. De bijlage bevatte volgens toenmalig premier Joop den Uyl ,,tijdbommen''. Uiteindelijk is de bijlage wel openbaar gemaakt.

In oktober dit jaar bleek dat de redactie van Reporter per abuis de geheime notulen van de speciale ministerraad had kunnen inzien. De programmamakers zeggen nu zich niet te baseren op die notulen, maar op uitlatingen van oud-bewindslieden.

Volgens de Amerikaanse onderzoekers, J. Blum en J. Levinson, was het voor iedereen van de Senaatscommissie duidelijk dat Lockheed 1,1 miljoen dollar betaald had en dat de prins het geld had aangenomen. Blum: ,,Wij vroegen het management van Lockheed: hebben jullie geld betaald aan prins Bernhard. En ze zeiden ja.'' Levinson: ,,Ik denk dat er niemand was (...) die er niet van overtuigd was dat prins Bernhard daadwerkelijk betalingen ontvangen had van Lockheed.''

De Amerikaanse onderzoekers zeggen zeer verrast te zijn geweest door de conclusie van de commissie Donner dat er geen bewijzen waren voor het aannemen van steekpenningen. Levinson: ,,Dat ging in tegen het schriftelijke bewijs en de verklaringen onder ede.''

De commissie Donner concludeerde dat de prins in 1974 om geld gevraagd had bij Lockheed. De commissie meldde echter geen bewijzen gevonden te hebben dat de prins eerder, onder meer in 1960, daadwerkelijk steekpenningen had aangenomen. Prins Bernhard had zich wel, zoals premier Den Uyl het in augustus 1976 in de Tweede Kamer verwoordde ,,aanvankelijk veel te lichtvaardig begeven in transacties die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten''.