Misser

Dimitz Dragilsa is 23, ze heeft twee kinderen en ze woont in het zigeunerbuurtje Shanga. Haar wereld bestaat uit een lekkend dak, een donkere kamer van 3 bij 4, twee bruine luizige bedden, een kleine flakkerende tv en een houtfornuis. Ze heeft niets dan zichzelf, haar intelligentie, haar liefde voor haar kinderen en haar man. Het enige dat oplicht in het vertrek is een aangebroken witbrood en haar eigen gezicht.

,,Het was in juni'', vertelt ze. ,,We stonden 's avonds laat met de buren te praten, over het tuinhek. Ze zullen de raffinaderij wel weer te pakken nemen, zeiden we tegen elkaar. We hoorden de vliegtuigen komen, een fel licht. We gingen naar binnen. Toen opeens een geluid: `Tsss'. We werden tegen de muur gesmeten, alles schudde en scheurde. Nieuwe explosies. We gooiden ons op de kinderen, bedekten hen met ons lichaam.

,,Het huis uit, alles was stof en rook. Ons zoontje zat onder het bloed. Water spoot uit de leidingen, elektriciteitskabels knetterden in het rond. Het veld in. Uit de verte hoorde ik de buurvrouw gillen. Het huis van de buren had een voltreffer gehad. De buurman bloedde dood. Ik was zo bang, ik dacht: ze schieten vanuit de lucht met machinegeweren op ons.

,,Ons huisje lag in puin. Het regende die hele week. We hebben het zelf weer wat opgebouwd. Maar we kunnen aardappels kopen, en een paar kilo vet, en een slof sigaretten. Ik zeg het eerlijk, dit bestaan bevalt me, op voorwaarde dat er geen oorlog meer komt. Ik ben gelukkig dat ik en mijn kinderen weer samen kunnen slapen, zoals we vroeger sliepen, schrijf dat alsjeblieft op.''