Kamerleden van vlees en bloed

e oude vergaderzaal van de Tweede Kamer was volgepropt met 350 vroegere en tegenwoordige leden van de Kamer, die in de geest van de grondwet willig poseerden als vertegenwoordigers `van het gehele Nederlandse volk' (art. 50 GW). De ongewone reünie was uitgeschreven om een spectaculaire groepsfoto te maken die als kerstkaart van de Tweede Kamer zal dienen.

Op de foto van Roel Rozenburg, afgedrukt op de voorpagina van de krant van 9 december, staan de opgetrommelde generaties, ongehinderd door politieke scheidslijnen, in poldermodelformatie door elkaar opgesteld. CPN naast KVP, SGP naast CHU, PvdA naast DS'70, VVD naast PPR. Een passende foto voor een prijsvraag? Wie honderd Kamerleden herkent en van de juiste naam weet te voorzien, ontvangt een eervolle vermelding in deze rubriek (klachten over de onherkenbaarheid van de achterste rijen kunnen niet in behandeling worden genomen, want op de voorlaatste rij is Piet de Visser nog zonder vergrootglas goed zichtbaar en zelfs in de schaduw aan de zijkant kan Henk Vredeling duidelijk worden onderscheiden).

Het lag voor de hand dat de reünie aanleiding tot kwaliteitsvergelijkende shoptalk zou geven.

Hannie van Leeuwen, Defensiewoordvoerder van de ARP in de jaren zeventig, die de verrichtingen van de Tweede Kamer nog op de voet volgt, liet een proefballon op, die meer weerwerk verdiend had. Oudergewoonte zei ze rechttoe, rechtaan: ,,De tegenwoordige Kamerleden zijn geen politici van vlees en bloed meer.'' Men kan zoiets in veel ingezonden brievenrubrieken lezen, maar zelden komt zo'n oordeel uit de mond van een parlementariër, ook al is die maar een `amateur' uit de Eerste Kamer.

De bijeenkomst leende zich niet voor een uitgebreid consumentenonderzoek, omdat iedereen na zoveel jaar met iedereen weer eens het glas wilde heffen. Het is jammer dat er geen symposium was georganiseerd waarop de CDA-politica haar uitspraak had kunnen uitwerken. Wie veel naar politieke televisie-uitzendingen kijkt, zal er niet veel op hebben af te dingen. Dat wil niet zeggen dat Van Leeuwens eigen generatie geheel uit eersteklas-Kamerleden bestond. De Tweede Kamer van de jaren zestig en zeventig was op geen stukken na een massief collectief van overrompelend talent. De KVP-fractie bestond voor een groot deel uit stemvee dat blindelings Romme en Schmelzer volgde. Maar de KVP leverde altijd een paar sterke figuren en de meeste andere partijen leverden er gemiddeld nog meer. Biesheuvel, Boersma, Van Mierlo, Aantjes, Van der Spek, Wiegel, Geertsema, Marcus Bakker, Gerda Brautigam, Den Uyl en Vondeling, om maar elf grootheden te noemen, voldeden allemaal aan de norm van vlees en bloed, en daar zou gemakkelijk nog een tweede elftal aan kunnen worden toegevoegd.

Kamerleden uit die tijd beschikten bovendien over betere democratische papieren. Hoewel het partijbestel toen allerminst in goeden doen was en de opkomst van de Boerenpartij en D66 beschouwd werd als crisissymptomen van de democratie, vertegenwoordigden de Kamerleden politieke partijen die nog in grote trekken volgens democratische principes werden bestuurd. De politieke partijen van de jaren zestig en zeventig hadden vooral een bredere maatschappelijke verankering. Ze hadden partijcongressen die nog meetelden en afdelingen waar nog volop leven in zat. De interne partijdemocratie was nog niet geheel in handen van een oligarchie gevallen.

In dat traditionele democratische patroon hebben zich in de jaren tachtig in de grote partijen overal ingrijpende veranderingen voorgedaan. De partijen verloren tienduizenden contribuerende leden en zagen hun financiële inkomsten dramatisch teruglopen. Een deel van de opzeggers stemde bij de verkiezingen nog wel op de oude partij, maar zocht voor zijn dagelijkse politieke vertier aansluiting bij strijdbaarder actiegroepen van het type Greenpeace en Natuur en Milieu. Een ander deel liep ter linkerzijde over naar de SP en GroenLinks, die meer elan uitstraalden en ook hun kracht zochten in politiek activisme, en ter rechterzijde naar het GPV en de RPF, die zich sterk profileerden als beginselpartijen en ook veel nieuwe kiezers aan zich wisten te binden.

In de PvdA leidde die ontwikkeling een strategische heroriëntatie in, die de organisatie overwegend in de sfeer van de professionele lokale bestuurders bracht en de partij veranderde in een lokale bestuurderspartij van burgemeesters, wethouders en deelraadbestuurders. Al in het begin van de jaren negentig signaleerde de door de PvdA ingestelde Commissie-Van Kemenade dat het traditionele partijwezen in Nederland, de PvdA in de eerste plaats, zich over de gehele lijn had ontwikkeld van massapartij tot professioneel-electorale partij. De partijen hadden het karakter van emancipatiebewegingen verloren, en waren zich verregaand met de overheid en het overheidsbeleid gaan identificeren. In het publieke debat speelden ze geen rol van betekenis meer en op het politieke domein waren ze hun positie voor een belangrijk deel aan de goed georganiseerde maatschappelijke belangengroepen kwijtgeraakt.

Intussen was de voorraad aspirant-Kamerleden van vlees en bloed uitgeput. In plaats daarvan grepen de gelegenheidspolitici hun kans, zoals het PvdA-Kamerlid Marjet van Zuijlen, die enkele jaren later de politiek in het weekblad Vrij Nederland kenschetste als `een tijdelijke roeping'. De Kamer was voor haar niet meer dan een opstapje naar een carrière elders. Die uitspraak bewees het onthutsende gelijk van J.A.A. van Doorn, die als eerste erop heeft gewezen dat de grote politieke partijen op het punt staan zichzelf te denatureren tot ,,louter campagneorganisaties en aanbieders van carrières in politiek en bestuur'' (Haagse Post van 18 april 1997).