Initiatief `is aan de Kamer bij formatie'

De Tweede Kamer moet na de volgende verkiezingen het initiatief bij de kabinetsformatie meer in eigen hand houden. Dit bepleit het Tweede-Kamerlid Rehwinkel (PvdA).

Volgens Rehwinkel zouden nieuwgekozen Kamerfracties na verkiezingen niet meer met afzonderlijke (in)formatieadviezen naar de koningin moeten gaan, maar eerst onderling overleggen over het voordragen van kandidaatinformateurs en -formateurs die kunnen rekenen op de steun van een Kamermeerderheid. In de praktijk zou hierdoor de rol van het staatshoofd bij kabinetsformaties worden beperkt.

Rehwinkel heeft over de rol van de Tweede Kamer bij kabinetsformaties op verzoek van het presidium van de Kamer een notitie geschreven. Het presidium meent dat een nieuwgekozen Kamer moet beslissen of ze een andere procedure bij formaties wenselijk vindt.

De suggestie van Rehwinkel voert terug op een motie-Kolfschoten (KVP) uit februari 1971, waarin een ruime Kamermeerderheid zich uitsprak voor gezamenlijke adviezen van Kamerfracties over door de koningin te benoemen (in)formateurs. De motie had onder meer de steun van de linkse Kamerfracties, de KVP en de VVD. In vervolg op deze motie hebben de PvdA, D66 en PPR in 1971 eenmaal geprobeerd PvdA-leider Den Uyl benoemd te krijgen tot informateur. De fracties konden hiervoor geen Kamermeerderheid vinden. Sindsdien zijn de fracties doorgegaan met het uitbrengen van afzonderlijke formatieadviezen aan de koningin.

D66 heeft sinds 1971 herhaalde malen bepleit dat de Tweede Kamer een grotere greep moet houden op het verloop van kabinetsformaties. D66-fractieleider De Graaf heeft in juni vorig jaar – in een debat met de informateurs Kok, Zalm en Borst – opnieuw bepleit dat de motie-Kolfschoten ,,na meer dan 25 jaar een reële inhoud krijgt''. De PvdA, de grootste coalitiefractie, heeft zich hierover in de afgelopen jaren niet uitgelaten.

PvdA-fractielid Rehwinkel noemt het ,,een brevet van onvermogen van de Kamer'' dat zij de regie bij kabinetsformaties nog steeds volledig in handen laat van het staatshoofd. Met nadruk stelt Rehwinkel dat hij hiermee geen kritiek levert op `de persoon van koningin Beatrix' die in de afgelopen bijna twintig jaar ,,uitstekend leiding geeft gegeven'' aan formaties. ,,Maar het lijkt mij democratischer en eenduidiger wanneer de Kamer hier zelf nadrukkelijker een rol speelt, zoals een Kamermeerderheid in 1971 al heeft uitgesproken.''

Volgens Rehwinkel worden discussies over de monarchie en de rol van het staatshoofd in Nederland vaak `warrig' gevoerd: ,,Argumenten van staatsrechtelijke, politieke en emotionele aard lopen voortdurend door elkaar. Terwijl ik vind dat je over de constitutionele kanten van de monarchie een serieus debat moet kunnen voeren zonder meteen als anti-Oranje te worden bestempeld.'' Rehwinkel meent dat in de komende jaren, in discussies over een eventuele grondwetsherziening, ook moet worden gekeken naar de positie van het staatshoofd dat nu formeel deel uitmaakt van de regering. ,,In de praktijk heeft de minister-president zich ontwikkeld tot regeringsleider. Het wordt tijd om dit ook in de grondwet vast te leggen.''