Westen zal Tsjetsjenië niet helpen

Tsjetsjenië hoeft niet te verwachten dat het Westen zich actief zal mengen in het conflict met Moskou, meent Thomas H. von der Dunk. Een herhaling van `Kosovo' is dan ook uitgesloten.

Elke oplossing creëert haar eigen problemen. Nu de NAVO eenmaal omwille van de mensenrechten als pacificator in Kosovo is opgetreden, en ter legitimatie van de schending van de staatkundige soevereiniteit van Klein-Joegoslavië de doctrine van de `humanitaire interventie' heeft gelanceerd, wordt door de Tsjetsjenen min of meer hetzelfde verwacht.

De gekozen weg in Kosovo heeft twee consequenties. Enerzijds dwingt zij het Westen – om niet met twee maten te meten – zich ook met tal van andere conflicthaarden te bemoeien. Anderzijds zal die weg echter door deze bemoeienis ook onbedoeld soms tot opstand aanmoedigen, want er leven nog vele volkeren op aarde die met smart op hun bevrijding wachten.

Dit was ook in Kosovo zélf het geval: zolang de Kosovaren vriendelijk demonstreerden en alleen maar ondergrondse scholen en ziekenhuizen dirigeerden, werd er niet naar hen omgezien. Pas toen zij, hun toenemende onderdrukking beu, naar de wapenen grepen, kon het Westen er niet meer om heen. De les voor andere minderheden is daarmee duidelijk: de NAVO helpt hen die zichzelve helpen. Wie slechts lijdelijk verzet pleegt, wordt genegeerd, wie in opstand komt gesteund, omdat de staat waar men zich tegen keert vervolgens naar dermate bloedige middelen grijpt dat het Westen zich onder druk van de publieke opinie gedwongen voelt te interveniëren.

Wat een evenwichtige aanpak van dergelijke kwesties compliceert, is de tweeslachtige houding van de Europese bevolking, in samenhang met de toegenomen rol van de media. Een halve eeuw geleden las men aan details over oorlogen in exotische uithoeken slechts een paar regels in de krant. De slachtoffers hadden geen naam, geen stem en geen gezicht. Nu wordt men dag in dag uit met bloedige televisiebeelden geconfronteerd. Enerzijds eist het publiek daardoor dat er wordt ingegrepen, en wel snel. Anderzijds mogen daarbij geen eigen soldaten sneuvelen, en dat vergt juist een zeer behoedzame aanpak, zoals de oorlog om Kosovo illustreert: pas toen het laatste stuk Servisch luchtafweergeschut vanaf veilige hoogte was uitgeschakeld, ging men wat lager vliegen om de bendes te elimineren die voor de vluchtelingenstromen verantwoordelijk waren en in de tussentijd zodoende nog heel wat ellende hadden aangericht. Beide eisen van de Europese bevolking – krachtdadig ingrijpen, maar geen eigen slachtoffers – lijken moeilijk te combineren.

Het feit dat de gekozen humanitaire legitimatie zowel de verplichting tot hulp in vergelijkbare gevallen als een aanmoediging tot toekomstig gewapend verzet van menige andere onderdrukte bevolkingsgroep met zich mee kan brengen, stelt het Westen voor een moreel dilemma. Nietingrijpen is geruststellend voor moordlustige dictatoren. Welingrijpen stimuleert anderen om zich tegen hun dictatoren te verzetten, waarmee vaak hun moordlust verder wordt opgewekt.

Dit dilemma is in hoge mate het gevolg van de ontwikkelingen die met de val van de Muur in gang zijn gezet en door het machtsverval van Rusland vooral in de Kaukasus tot een machtsvacuüm hebben geleid. Tot 1989 gold sterk het beginsel van soevereiniteit in eigen kring en dienovereenkomstig verroerde de NAVO noch in 1956 vanwege Boedapest, noch in 1968 vanwege Praag ook maar één tank. Daarom zal een conflict als nu rond Tsjetsjenië toen onwaarschijnlijk zijn geweest: er zal geen kans hebben bestaan dat het Westen daadwerkelijk tussenbeide zou komen, geen Tsjetsjeen zou bedacht hebben zich af te scheiden en er zou dan dus ook geen Russisch leger al bombarderend naar Grozny zijn opgerukt.

Het machtsvacuüm in de Kaukasus heeft nog een tweede consequentie: het verschaft allochtone ondernemingen toegang tot de oliebekkens rond de Kaspische Zee in een mate die vóór 1989 ondenkbaar was. Dit heeft ook politieke gevolgen: het Westen wordt steeds meer het bewuste machtsvacuüm ingezogen. Gezien wat er inmiddels economisch op het spel staat en dus voor het nodige stevige lobbywerk in Washington zorgt, kan het Westen niet onverschillig blijven voor de gevolgen van de Russische oorlogspolitiek en ziet het zich tot inmenging gedwongen. Tegelijkertijd kent die inmenging duidelijk grenzen, die door belangen en mogelijkheden worden bepaald. Juist op dat punt bestaan er aanmerkelijke verschillen tussen Kosovo en Tsjetsjenië, die van grote invloed zijn op de wenselijkheid en waarschijnlijkheid van een krachtig westers optreden jegens de gehekelde boosdoener – hier de Serven, daar de Russen. Dat begint met de ligging: Kosovo aan de rand van de Europese Unie, Tsjetsjenië aan de andere kant van Rusland. Daarmee is al een soort natuurlijke afbakening van invloedssferen gegeven. Zeker in het perspectief van Moskou speelt dat, waar het de slag om de Balkan feitelijk verloren heeft, een voorname rol. Met die perifere ligging is ook het veel geringere belang voor het Westen gegeven, en dus de geringere bereidheid zware middelen in te zetten.

Van niet minder gewicht is dat het Westen al langdurig bij de Joegoslavische kwestie betrokken was en daarom een daad moest en wilde stellen. Daarbij kwam voorts dat hier de hoofdschuldige duidelijk was en met hem niet op redelijke basis te onderhandelen viel. De tegenstelling tussen Goed en Kwaad ligt in de Kaukasus daarentegen veel minder scherp; met Maschadov moge dan te praten zijn, diens gezag reikt niet veel verder dan zijn hoofdstad. Voor de rest is Tsjetsjenië een volslagen anarchie waarin rivaliserende clans elkaar bestrijden en bovendien een `Heilige Oorlog' aan de Russen hebben verklaard.

Had men in het geval van het UÇK al niet bepaald met volbloeddemocraten te doen, bij de Tsjetsjeense strijders zijn die nog veel verder te zoeken. Een diep gevoel van verwantschap is de afgelopen maanden in het Westen derhalve, bij alle mededogen voor de zwaar getroffen burgerbevolking, niet ontstaan.

Dan is er het probleem van de politieke oplossing. Dat Kosovo een zelfstandige entiteit met een eigen regering zal worden is evident. De Kosovaren zullen zich niet opnieuw onder het gezag van Belgrado laten brengen, zeker zolang Miloševic aan de macht is. Natuurlijk wordt, omdat dat nu eenmaal was afgesproken, nog steeds op bezwerende toon verklaard dat Kosovo een `integraal onderdeel' blijft van Joegoslavië. Wat men zich daarbij moet voorstellen, weet echter niemand. Maar dat het een even integraal onderdeel van Joegoslavië zal blijken als de DDR vanaf 1949 van de Bondsrepubliek, weet iedereen. En Brussel heeft ongetwijfeld de conclusie getrokken dat een dergelijke fictie niet onbeperkt multipliceerbaar is.

Deze door de NAVO ongewenste, maar door haar eigen interventie onvermijdelijke, verzelfstandiging van Kosovo leert daarmee dat er voor Tsjetsjenië op dit ogenblik eigenlijk maar twee opties zijn. Ofwel de Russen onderwerpen het gebied, ofwel Rusland wordt er uitgewerkt. Dat laatste betekent een terugkeer naar de status quo ante: officieus staatkundige zelfstandigheid en feitelijk complete rechteloosheid. Moge men het eerste vanwege de vele slachtoffers terecht verafschuwen, ook het tweede alternatief is niet bepaald aantrekkelijk, en deze tweestrijd belemmert het Westen bij de conceptie van een heldere politieke koers. Anders dan bijvoorbeeld Georgië, dat als redelijk functionerende souvereine staat de protectie van de internationale gemeenschap verdient, hebben we met Tsjetsjenië niet bepaald te maken met een geordend land. En anders dan in het geval van Kosovo kan het Westen daar ook niet voor zorgen door er zelf militair te gaan zitten. Rusland is als tegenspeler immers van een andere orde dan Servië. Binnen de internationale verhoudingen zijn Tsjetsjenië en Kosovo nauw aan elkaar gekoppeld.

Het Russische optreden in Tsjetsjenië is in tal van opzichten door dat van de NAVO in Kosovo geïnspireerd, en vormt er in zekere zin de tegenhanger van. Tsjetsjenië is het Russische Kosovo, waar het Westen in Russische ogen niets te zoeken heeft. In Kosovo was het Westen er het eerst. Het was de Russen vóór, en daardoor hadden dezen het nakijken. In Tsjetsjenië waren de Russen er het eerst, en heeft het Westen daardoor in de praktijk het nakijken, en kan het als laatkomer niet veel anders dan tegensputteren. Dat komt omdat het Westen Rusland evenmin kan negeren, als Rusland het Westen. Rusland kan niet zonder het Westen, omdat het zijn economische hulp nodig heeft om niet in vergaande staat van ontbinding te raken. En het Westen kan Rusland niet te hard aanpakken, omdat juist van die ontbinding voor het Westen een levensgevaarlijke dreiging uit kan gaan. Dat weet Moskou. En de NAVO weet dat Moskou het weet. Om die reden is het Westen sterk beperkt in zijn mogelijkheden om de verwoesting van Tsjetsjenië te verhinderen. Om die reden kan Moskou zich ook veroorloven niet veel van protesten aan te trekken, omdat het Westen hooguit blaft, maar zeker niet bijt. Zo ontstaat geleidelijk een nieuwe afbakening van invloedssferen, waarbij Rusland het noodgedwongen geaccepteerde, maar moeilijk verkropte 'verlies' van de Balkan met een des te hardnekkiger vasthouden aan de Kaukasus compenseert.

Tegelijkertijd kan het Westen echter niet hier ingrijpen en daar zwijgen. Het is, vanwege zijn eigen geloofwaardigheid, gedwongen het Russische optreden openlijk te veroordelen, en om diezelfde reden gedwongen om als dit niet helpt – en dat zal niet veel helpen, gezien de Russische perceptie – zo nodig tot maatregelen over te gaan. Die maatregelen kunnen slechts economische zijn, zoals op de afgelopen EU-top in Helsinki is gebleken. Want geen zinnig mens zal suggereren om een NAVO-bataljon de Zwarte Zee over te sturen.

Men moet niet de illusie hebben dat economische sancties Poetin van koers zullen doen veranderen. Zij mogen voor de Russische belangen nadelig zijn, de belangen van Rusland op de lange termijn en die van de huidige Russische regering op de korte lopen niet parallel. Voor de laatste bezit het behoud van de eigen macht een hogere prioriteit dan die van de macht van het land als geheel. En voor het behoud van die eigen macht wordt economische schade als minder kwalijk ingeschat dan een vernederende militaire aftocht. Daarmee zijn die economische maatregelen overigens niet volstrekt zinloos, want waar het Kremlin er nu met het oog op gezichtsverlies niet snel voor zal buigen, kunnen ze wel helpen het af te houden van een nieuw avontuur.

Sancties functioneren meestal met het oog op de volgende keer. Zolang de Russen immers niet aan een volgende oorlog begonnen zijn, kunnen zij immers ook, de nadelige gevolgen van die sancties indachtig, zonder de suggestie op te wekken voor westerse druk te wijken gemakkelijker van zo'n volgende oorlog afzien. Maar zolang de huidige oorlogscampagne succesvol lijkt, en daarmee de populariteitscijfers van Poetin stijgen, zal deze met het oog op de komende verkiezingen worden voortgezet. En het Westen zal voor de vorm blijven protesteren, maar er tegelijk voor waken dit protest te zeer in daden om te zetten, omdat een nederlaag van Moskou in Tsjetsjenië ook geen vooruitgang betekent vanwege de anarchistische gevolgen ter plaatse en het dan geschonden zelfbewustzijn van de Russen.

De stabiliteit die de Russen met hun bloedige verovering beogen en mogelijk ook deels zullen bereiken is namelijk eveneens een evident westers belang. Een concurrerend imperium dient hooguit langzaam te slinken en niet in chaos in elkaar te storten, want anders wordt de wereld ook voor de tegenspelers onbeheersbaar, wier streven dan ook meestal is gericht op conservering van de bestaande staatkundige verhoudingen.

Thomas H.von der Dunk is cultuurhistoricus.