Musea (m/v)

Dezelfde vertrouwde geur als vroeger hangt rond het ,,Utrechtse schip'', dat rust in een een laag gewelf onder het Centraal Museum in Utrecht. Wat een prachtige schuit moet dit in zijn tijd zijn geweest! Het stokoude, donkerbruine karkas is wel dertig meter lang, met een `zeeg' (zo heet de welving van de zijboorden) om van te zuchten – en dan die vreemde geur waarbij je vanzelf aan teer denkt, al is het in werkelijkheid misschien een moderner conserveringsmiddel.

Sinds kort is het schip in de kelder een toevluchtsoord voor wie zich na de verbouwing ontheemd voelt in het museum. Hier is niets veranderd; de rest is, zoals deze krant onlangs meldde, opgeleukt. Wat bepaald niet wil zeggen dat het er ook leuker is geworden. Het is meer zo dat de verbouwers, aangevoerd door de ambitieuze directeur Ex, dingen hebben gedaan die zij zelf leuk vonden. De `bekende muffe museumgeur' moest worden verdreven. Met het oog daarop zijn bijvoorbeeld de parketvloeren vervangen door grijs beton, zodat het lijkt alsof de verbouwing nog bezig is. Een verrassend effectieve ingreep om duidelijk te maken dat het hier gaat om van alles, behalve een prettige sfeer, voor de bezoekers noch voor de collectie.

Het museumpersoneel dat hier moet werken wordt nog eens extra gepest. Het loopt, jong of oud, verplicht in stijve spijkerpakken met korte jackjes en een grijze sjerp er overheen. Dat hebben `Victor en Rolf' verzonnen, de trendy modeontwerpers die de nieuwe uniformen mochten maken. Ha! We gaan niet een beetje aan de verwachtingen voldoen, kraaiden zij, indachtig Ex' eigen dictum dat je in zijn museum van de ene verbazing in de andere moet vallen. Het modeduo (*1969) heeft ook al menige bizarre creatie aan de kostuumcollectie van het museum verkocht. Het wordt in de folders nu steeds in één adem genoemd met Jan van Scorel en Gerrit Rietveld, van wie hier immers ook `topstukken' te bezichtigen zijn. Hihi. Dag Jan! Dag Rolf!

Denk overigens niet dat ze daar in Utrecht geen mooie spullen hebben. Ze hebben er honderden, duizenden, van het nevelige schilderij Ruitergevecht van Herman van Lin (1665) tot de ouderwets-moderne Harrenstein-slaapkamer van Gerrit Rietveld (1926) in het gebouw aan de overkant. Een schattige kinderstoel van Rietveld, met leren zitting. Een smaakvol versierd middeleeuws jasje, eveneens van leer, dat beschermde tegen geweld als je geen ijzer aan je bast wilde. En dan al het moois in de collectie-Van Baaren, zoals Versters Blikken kannen en Mankes' kwetsbare Wit konijn. In een historisch afdelinkje hangt weer een prachtig 17de-eeuws portret van een apotheker. Wat konden die Utrechters schilderen.

Mooie dingen. Alleen, in het pasverbouwde museum hangt of staat niets om gewoon mooi of leerzaam te zijn, of zelfs maar zichzelf. Overal voel je bedoelingen, ideeën, ongemak. Is dat soms het deconstructivisme waarover Sjarel Ex het wel eens heeft tegen de pers? Of is het gewoon dat hij heel erg hoopt nog eens directeur van het Stedelijk Museum te worden?

Een dag na Utrecht was ik in Amsterdam, waar voor een kwart van de kosten (7,8 versus 37 miljoen) het Amsterdams Historisch Museum is verbouwd en heringericht. Het grappige is: daar bestaat geen enkele onduidelijkheid over achterliggende bedoelingen. Zo goed mogelijk de collectie tonen, zo veel mogelijk vertellen over Amsterdam en zijn geschiedenis, daar gaat het om. Zo leuk mogelijk, jawel, dat ook. Maar leuk voor de mensen, niet voor het imago van de directeur.

De directrice, bedoel ik. Hier is het een vrouw, daar in Utrecht een man. Puur toeval natuurlijk – maar ik kreeg na die twee excursies ineens het gevoel dat je musea (m) hebt, en musea (v). Machismo versus huiselijkheid, gebouw versus collectie, snoeverij versus zorgzaamheid. Vorm versus inhoud. Een beklemmende gedachte, vooral omdat je weet wie er met de eer gaat strijken. Dat is helaas niet de variant waarbij bezoekers en collectie het beste tot hun recht komen – laat staan de suppoosten.