`Molukse tragedie raakt heel Indonesië'

President Wahid van Indonesië en vice-president Megawati hebben gisteren het door geweld geteisterde Ambon bezocht. Ook Molukkers uit Nederland waren daarbij aanwezig.

Twee geblindeerde limousines met kogelvrij glas en drie legerbussen, bestuurd door chauffeurs in gevechtspak met een automatisch geweer binnen handbereik, brengen het gezelschap van het vliegveld Pattimura naar het werkhaventje Wayame. Met een korvet van de marine steekt het bezoek de Baai van Ambon over, naar de zwaar gehavende hoofdstad van de Indonesische provincie Maluku.

President Abdurrahman Wahid en vice-president Megawati Soekarnoputri, vergezeld door hun echtelieden, twaalf ministers, vijf parlementsleden en de chef van de landmacht, brengen hun eerste werkbezoek aan het eiland Ambon, dat sinds januari wordt geteisterd door bloedige gevechten tussen moslims en christenen. Het is een bezoek aan het front. Langs de weg van het vliegveld naar de kade vertonen de groenomzoomde kampongs zwarte schroeiplekken waar ooit moskeeën en kerken hebben gestaan. Tijdens de korte busrit van de haven naar het kantoor van de gouverneur vangt het bezoek een glimp op van de verwoesting in het hart van de stad. Hele winkelcentra en huizenblokken zijn veranderd in ruïnes.

,,Net Beiroet'', verzucht John Lilipaly, een voormalig Nederlands Kamerlid, die vijf jaar geleden voor het laatst op Ambon was. ,,Ik heb geprobeerd me hier mentaal op voor te bereiden, maar toch komt het hard aan.'' Lilipaly is één van de vier Molukkers uit Nederland die op uitnodiging van president Wahid zijn meegereisd. De andere drie zijn Julius Rutumalessy, synodevoorzitter van de Moluks-Evangelische Kerk, Otto Matulessy en John Wattilete, beiden lid van de regering in ballingschap van de Republiek der Zuidelijke Molukken (RMS).

De grote zaal van het gouverneurskantoor is gevuld met enkele honderden Molukse notabelen: ambtenaren, leger- en politieofficieren, studenten, traditionele hoofden en religieuze leiders, onder wie de voorzitter van de Molukse Raad van Ulama's (islamitische schriftgeleerden), de voorzitter van de protestantse synode en de rooms-katholieke bisschop van de Molukken.

Gouverneur Saleh Latuconsina heet de gasten welkom en maakt de trieste balans op van een jaar burgeroorlog: 775 doden – zowel burgers als soldaten en politiemannen –, 1.108 zwaargewonden, 8.665 verwoeste huizen, 115 vernietigde kerken en moskeeën, 9 platgebrande markten en 942 met de grond gelijk gemaakte winkels. Volgens de gouverneur zijn 83.718 Molukkers gevlucht. Zij zijn ondergebracht in militaire kampementen, scholen, tenten en woningen van familieleden en andere medeburgers.

President Wahid, die geconcentreerd heeft geluisterd, neemt het woord. Hij zegt het kort te zullen houden want hij is samen met Megawati naar Ambon gekomen om ,,de stem van de Molukse gemeenschap te horen en haar woordvoerders te vragen naar hun overwegingen en drijfveren''. ,,Wat er in de Molukken is gebeurd'', zegt Wahid, ,,is een menselijke tragedie die alle Indonesiërs raakt. Langs de weg hierheen, onder de mensen die ons kwamen begroeten, hoorde ik kinderstemmen. Die kinderen zijn onschuldig, zij weten niet waarom dit alles gebeurt, maar verwoorden de hoop op een betere toekomst.''

Voor Wahid bestaan er geen taboes. ,,Een enkele Molukse moslim vroeg mij waarom er in deze delegatie ook leden van de RMS meereizen (de op 25 april 1950 geproclameerde RMS geldt onder islamitische Molukkers nog steeds als `domineesrepubliek', red.). Voordat ik president werd, heb ik contact gelegd met Molukkers in den vreemde, ook met mensen van de RMS in Nederland. Zij wonen ver van Ambon, ver van Indonesië, maar zij voelen zich zeer betrokken bij het lot van de Molukkers hier en willen vanuit louter menselijke overwegingen graag meedoen aan de wederopbouw van hun geboortegrond. De tijd is rijp om af te rekenen met oud wantrouwen en ideologische obsessies.''

Wahid vervolgt: ,,Ambon staat al eeuwen bekend als een streek waar religieuze verschillen geen rol meer spelen. Juist hier zien we nu de gevolgen van wederzijds onbegrip in godsdienstige, etnische en economische aangelegenheden, niet alleen tussen Molukkers onderling, ook tussen hen en nieuwkomers uit andere streken. Maar niet overal. Op Saparua (een eilandje dichtbij Ambon, red.) helpen christenen nog steeds bij de bouw van moskeeën. Zij geven een hartverwarmend voorbeeld. Verschil van opvatting tussen leiders is voor de gemeenschap een teken van Gods genade. Ik ben een moslim, een haj, die in het rood gekleed gaat (de kleur van de christenen, red.). In mijn ogen – niet die van een functionaris, maar van een Indonesiër – is er geen verschil tussen een moslim en een christen.''

De zaal applaudisseert. Het lijkt niet opgenomen in het draaiboek – de ceremoniemeesteres kondigt al `gebed' – aan, maar Wahid vraagt om `grieven en suggesties'. Die zijn er. Vijf mannen uit de zaal smeken om aandacht van Jakarta (,,Ambon huilt''), betuigen hun trouw aan de republiek (,,islamieten zijn geen separatisten''), vragen om bestraffing van ,,provocateurs van buiten die Ambon in lichterlaaie hebben gezet'' en wraken de partijdigheid van plaatselijke militairen – een christelijk geluid dat door sommigen in de zaal met een luid ,,Onzin!'' wordt beantwoord. Een moslimstudent zegt dat de Pattimura Universiteit voor hem en zijn geloofsgenoten niet meer veilig is en eist een aparte campus.

Wahid zegt in zijn slotwoord dat ,,vertrouwen op ingrijpen van Jakarta vragen is om het paternalisme van vroeger. De oplossing voor Molukse problemen moet allereerst van de Molukkers komen. Wij in de hoofdstad kunnen alleen stimuleren en ondersteunen.'' Leden van de Molukse delegatie uit Nederland klappen mee.

Ten slotte doet vice-president Megawati, die Ambon en Irian Jaya in haar portefeuille heeft, een klemmend beroep op de zaal ,,om het bloedvergieten te stoppen'' en ,,de emoties te beteugelen''. ,,Ik weet uit eigen ervaring wat het betekent, te moeten leven met geweld. Mijn geliefde Ambon zal ten onder gaan als de wapens blijven spreken.'' De bijeenkomst wordt besloten met een smeekbede om erbarmen met de Molukken, uitgesproken door een ulama en een dominee. Ook generaal Wiranto, de met Wahid meegereisde superminister van Politiek en Veiligheid wiens lichaamstaal de hele dag op wrevel duidt, heft de handen.

John Lilipaly is onder de indruk: ,,Wahid weet de juiste snaren te raken.'' Toch houdt hij twijfels: ,,Het is van enorm belang dat de twee hoogste leiders zelf naar Ambon zijn gekomen. Dat heeft grote symbolische betekenis. Maar de communicatie blijft beperkt tot de leiders uit Jakarta en de notabelen in de zaal. Dit is een noodzakelijke eerste stap, maar nog niet genoeg.''

De Ambonezen op straat willen een glimpje opvangen van Wahid en Megawati, maar de menigte voor het gouverneurskantoor is hoorbaar verdeeld. Een groep scandeert ,,Ambon damai'' (vrede in Ambon), anderen roepen: ,,Ambon tidak damai'' (er is geen vrede in Ambon). Als Wahid naar buiten komt, klinkt er gejuich en tromgeroffel. Zijn vice-president wordt door een deel van de menigte begroet met een luidkeels ,,Mega! Mega!'' Op dat moment doen de moslims er het zwijgen toe.