Klein formaat floreert op de Muziekdagen

Vaak maakt moderne muziek, zoals het afgelopen weekeinde op de elfde editie van de Nederlandse Muziekdagen in Utrecht, de meeste indruk in de grootste bezettingen. Maar niet altijd! Vrijdag gebeurden in de Kleine Zaal van Vredenburg kleine wonderen. Eerst bij Het Trio en het Schönberg Kwartet, daarna in een combinatie van beide als septet.

Fraai klonk Wim Boogmans nieuwe kwartet Called back met figuren die steeds om elkaar heen cirkelen om opeens op een éénklank te duiken. Spannend is het slot met zijn hoge repeterende viooltoon: hoe loopt dat af, duiken we weer naar omlaag? Prachtige muziek, zowel doorwrocht als logisch.

Van Peter van Onna was The Mondrian Equilibrium (1997) als orkestwerk reeds succesvol, bekroond met de Nog Jonge Componisten Prijs. Maar de originele versie uit 1995 voor kwarttoonsfluit, basklarinet en piano is zo mogelijk te prefereren: flitsend virtuoos en glashelder. Dat laatste is Robin de Raaff in Ennea's Domein (1999) voor kwartet en trio tezamen zeker niet, hij neemt ook meer risico's als Van Onna. Er gebeurt veel in drukke partijen, een misterioso-deel uitgezonderd. Maar juist als je denkt: nu gaat het te lang door, blijkt te muziek te werken. Van Onna zoekt naar ontspanning, De Raaff uiteindelijk ook.

Bijzonder was in de Grote Zaal de herconfrontatie met Jan van de Puttes Es Schweigt voor sopraan en ensemble uit 1993 (revisie '96). Want dat er muziektheater uit vootkwam, dat weten we nu, toen niet. En dan luister en vooral kijk je er anders naar. Opvallend vond ik ditmaal de humor, die in de latere stukken minder prominent aanwezig is.

Zoals steeds bieden de Muziekdagen tevens een terugblik op de Nederlandse muziek,in dit geval naar Alphons Diepenbrocks Te Deum Laudamus (1908). Het triomfantelijk trompetgeschal is nog wel te pruimen, maar het fortissimogeweld van dubbelkoor en een al even overspannen solistenkwartet werkt op de zenuwen, al is het zachte naspel dan weer wel sympathiek. Want wat is dit een holle-bolle-Gijs muziek! Nu dient gezegd dat Gennady Rozhdestvensky het kennelijk in enkele repetities had afgedaan. Ook Matthijs Vermeulens Vierde symfonie `Les Victoires' was nog een beetje een zoektocht, maar deze muziek blijft ook dan overeind, en over de inzet van het Radio Filharmonisch Orkest viel niets te klagen.

Een hoogtepunt betekende het slot zondagmiddag met de concertant uitgevoerde opera's van Theo Loevendie (Gassir, the Hero, 1990) en de inmiddels overleden Ton de Leeuw (Antigone, 1991). Het Radio Kamerorkest liet niets te wensen over, bewondering had ik tevens voor Cappella Amsterdam in Antigone. Zo veel als er hier gebeurt, zo klein zijn de ensembles in beide werken: weer won de beperking in een concentratie op de essentie.

Bij Loevendie is er veel speels klein slagwerk, de muziek is licht en verend, altijd doorzichtig, zelfs in de ensembles. Elena Vink als Patrijs en Priesteres gaf de omwenteling in het verhaal middels haar dubbelrol knap gestalte, visualisatie was niet nodig. Maar ook de mannenstemmen met voorop Tomas Möwes als de onoverwinnelijke Gassir, overtuigden.

Antigone heeft slechts één protagonist, en evenals op de première wist de Chileense Graciela Araya zich geheel te vereenzelvigen met deze tragische figuur. Overigens houdt De Leeuw zich aan het eerste deel van het antieke drama, overzichtelijkheid is weer in elk opzicht troef. Het rituele karakter herinnert enigszins aan het vroegste stadium van de opera, aan de afwisseling in monodieën en madrigalen in de Intermedieën uit de zestiende eeuw. Hier zijn het geen hoge blazers, maar juist donkere schalmeien die kleur geven in een duidelijk Frans getinte muziek. De Franse kleur, zie ook Andriessen, Verbey, Van Onna e.a., lijkt in opmars, maar De Leeuw heeft nooit iets gezien in het Duitse expressionisme. Het opmerkelijkste van deze Muziekdagen vond ik toch de waarheid dat in de beperking zich de meester toont, het waren de Muziekdagen van de kleine bezettingen.

Nederlandse Muziekdagen 1999. Gehoord 10 t/m 12/12 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.