Een vette kerstsmoes

Toen ik nog een parmantig ventje was, kwam onze meester Stek, de gevaarlijkste en strengste meester aller tijden, voor de klas aanzetten met een map zegelboekjes. Die zegeltjes moesten wij zien te verkopen. Huis aan huis, deur aan deur, omdat het voor een goed Christelijk doel was want we zaten niet voor niets op de School met den Bijbel. Wie de meeste lege boekjes inleverde, kreeg een felbegeerd kerstverhalenboek, want we bevonden ons in de donkere dagen voor Kerstmis.

Nu, toen ik de folder van de gezondheidskolonie bekeek die door de klas ging, was ik maar wat blij dat ik geen lepelziekte had, of tijdens het opzeggen van onze wekelijks uit het hoofd geleerde psalm, voor de klas een spontane bloedneus kreeg. Het gesticht lag ergens op een stuk heide omringd door bosjes waaraan geen bladeren groeiden maar dode kraaien, leek het. Brrrr, gelukkig niks voor mij.

Buurvrouw vertelde dat, nadat haar Iepie er zes weken had doorgebracht, hij weliswaar tien pond was aangekomen door de havermout met boterklonten, maar dat het allemaal wilde lucht bleek te zijn. ,,God wat was dat kind winderig. Waar hij stond, zat of lag, de winden vlogen je om de oren, Wat zeg ik? Oren? Mijn Eppo zei dat het nooit uit één gat kon komen wat daar bij hem loskwam. Dus licht uit en een aansteker er bij, en ja hoor, daar begon het geknetter fffffttt en heus niet alleen uit zijn benedengaatje, maar wel degelijk uit zijn oren. Blauw gaslicht. In twee weken tijd had hij het hele extra gewicht weer weggewind, om het zo maar eens te zeggen. Ja, zei mijn Eppo, zo kan ik het ook. Die is niet voor niets twee keer van zijn bakfiets gevallen door oververzwakking. Dat zit bij hem in de familie. Die mensen sterven waar je bijstaat en als je later in zo'n kist kijkt ligt er werkelijk bijna niks meer in. Nee, nee, mijn Iepie krijgen ze van mijn leven niet meer de hei op.''

Het gekke was dat uitgerekend de bloedneuskinderen bij de dagelijkse melkuitdeling werden overgeslagen. Mijn moeder kon de wekelijkse melkbijdrage ook niet missen; ik was maar wat blij dat ik die vieze melk niet hoefde op te drinken. Soms zag je kinderen om je heen kokhalzen, omdat ze een flesje van de vorige dag te pakken hadden. Ze moesten van meester Stek de melk in één teug opdrinken. ,,Dan gaat er niets van de kostbare voedingsstoffen verloren.'' Er zat dan al een vettige, gele laag room bovenop. ,,Dat is nu het lekkerste van deze gezondheidsmelk.'' Met zijn worstvinger lepelde hij de room van de melk af en likte hem smakkend, grondig schoon: ,,Heerlijk, heerlijk, nee echt, héééérlijk!''

Ik ging dapper met mijn zegeltjes op pad. Onder mijn arm om het geld in te doen een koektrommel, waar ik een gekleurde plaat op geplakt had van een dood kindje in bed waar een huilende moeder voor geknield lag. Een vertwijfelde man vol zelfbeklag zat aan de tafel, een lege kruik jenever in de hand. Het was een plaatje uit het tijdschrift van de Blauwe Knoop van buurvrouw omdat haar Eppo wel eens dronken thuiskwam. Het paste weliswaar niet helemaal bij mijn missie, maar dat meisje lag er zo lekker uitgemergeld bij.

Als ik ergens aanbelde trok ik een zielig en sneu gezicht en deed me zo bleek mogelijk voor, alsof ik stond te trillen van de lepelziekte. Nou, dat werkte echt prima. Ik werd maar één keer weggestuurd. Bij een mevrouw veegde ik zo realistisch het klamme zweet van mijn voorhoofd en hoestte zo hardgrondig, dat ze ten minste een naderend teebeeceetje vermoedde en de deur met een klap dichtgooide. Maar een andere kocht niet alleen voor een hele gulden zegels, maar liet me ook binnen in de keuken waar ze me een heerlijke plak gebakken bloedworst met stroop voorzette, waar ik zo dol op was.

Voort ging het weer. Mijn trommeltje werd steeds voller en als ik even doorzette had ik al het derde boekje leeg. Het begon donker te worden en het sneeuwde. Achter mij voor de huizen van de rijke mensen die zich met gemak elektrische kerstboomverlichting konden veroorloven, brandden de lampjes al. Ik wist zeker dat ik morgen met mijn drie lege boekjes op school zou komen en dat meester Stek er niet onderuit kwam mij ten overstaan van de hele klas het kerstverhalenboek te overhandigen. ,,Paul, jongen, dat heb je verdiend, je bent een sieraad voor de klas, wat zeg ik? Van de hele school. Een gezegende kerst voor jou en de jouwen, beste kerel.''

Ik zag het gezicht van moeder al. ,,Wat ben je toch een schat van moeder. Als ze straks allemaal weg zijn, ga je me wat voorlezen, en de kaarsjes mogen ook aan.''

De straat liep dood. Verderop zag ik uit een arbeidershuisje licht branden. Was ik nu maar omgekeerd. Dat laatste zegeltje zou ik met gemak nog kunnen verkopen, maar nee, ik moest en zou door de dikke sneeuw naar het vervallen huisje om daar aan te bellen.

Veel licht brandde er trouwens niet. Een hond blafte, naar het schorre geluid te oordelen zat er niet veel fut meer in.

Deur op een kier. Petroleumlicht. Wat een muffe lucht komt uit die hut zeg. ,,Zou u misschien mijn laatste zegeltje willen kopen mevrouw? Het is voor een goed doel.'' Een oud vrouwtje kijkt naar mijn zegelboekje en naar mijn geldtrommel en zegt dat ik verder mag komen. Kijk, daar ligt oom Engel. Je ziet het wel, die haalt de kerst niet meer. Ja, precies, je raadt het al: tbc, daar helpt niks tegen. Ja, room moet hij hebben en vers fruit. O, en dat ga ik straks voor hem halen. Jij laat ons toch niet in de steek, hè jongen? Je zei dat het voor een goed doel was, nou, als dit geen goed doel is, weet ik het niet meer. Het kerstkind heeft je naar ons toegezonden. Vrede op aarde! Leg het geld maar op tafel.''

Thuis zit buurvrouw bij moeder in de keuken: ,,Ja, ja, kom daar morgen op school maar eens bij meester Stek mee aan, met zo'n vette kerstsmoes.''