Een Veghelse komedie

`Pa, ik doe het niet'. Zoon kijkt naar tafelkleed, tekent in zwakke schijnsel van gloeilamp met de vinger patroontjes na.

Vader zucht. `Jongen, jij bent de enige die dit kan doen. Je bent mijn enige hoop. Denk aan mij, denk aan je arme moeder, denk aan je oom.'

`Maar pa, er is toch ook een andere oplossing? Dit hele gedoe met de familie-eer en zo...'

Vader, op strenge toon: `Ali, zeg dat nooit meer. Noem het nooit `gedoe`. Je spreekt nu net als de blanken, die niets geven om hun familie, om hun naam, hun reputatie. Wees blij dat het voor ons wel belangrijk is. Het is het enige wat we hebben in dit duivelse land. Denk erom.'

Zoon zwijgt. Vader steekt sigaret op. `Weet je wat Oom Mustafa laatst tegen me zei?'

Ali: `Ja pa. Dat heb je me al drie keer verteld.'

Vader neemt trek, inhaleert stevig en vervolgt: `Dat we beter van de aardbodem kunnen verdwijnen als het waar is. En je weet dat het waar is.'

Ali: `Maar we kunnen er toch niets meer aan doen? Laat zus weer naar Turkije gaan...'

Vader: `Naar Turkije gaan? Wie zal nog met haar willen trouwen! Ze is bezoedeld. Welke gek zal haar tot vrouw willen nemen? Ze is verloren, ze is niets meer waard. Ze zal haar hele leven hier moeten blijven wonen, bij ons.'

Ali: `Maar als we niets meer kunnen veranderen heeft het toch geen zin?'

Vader: `Spreek niet als een blanke. Wil je dat die hond van een Hasan aan iedereen blijft vertellen dat hij je zus tot hoer gemaakt heeft? Hoe ga jij je vertonen, denk daaraan. Denk niet aan mij, denk aan jezelf. Kun je met opgeheven hoofd naar een feest gaan? Kunnen wij straks de moskee binnenlopen zonder dat de mensen de plek naast ons openlaten? Schaam je Ali, Schaam je.'

Ali zwijgt, blijft tekenen op tafelkleed en zegt: `Als zus het niet gedaan had, was er niets gebeurd. Het is allemaal haar schuld, waarom moet ik daarvoor opdraaien?'

Vader drukt agressief sigaret uit in asbak. Houdt blik gericht op televisie waarop geluidloos `Goede Tijden, Slechte Tijden' aan de gang is en zegt: `Wat wil je, wil je háár dan neerknallen? Goed, zij is met hem meegegaan, zij is erbij geweest, ze wist wat ze deed. Maar ze smeekte om weer naar huis te komen. Die schoft van een Hasan had haar ontvoerd.'

Ali: `Pa, je weet dat dat niet waar is. Ze ging zelf mee naar Turkije, ze was gewoon weggelopen en heeft zich later pas bedacht.'

Vader slaat met vlakke hand op tafelkleed waardoor stofwolkje omhoog stijgt: `Goed, neem mijn pistool en schiet haar neer. Waar wacht je op? Zij heeft toch alle schuld? Dat meisje van vijftien dat meegesleurd werd naar Turkije waar ze weet ik wat met haar hebben gedaan. Zij heeft de schuld. Doe wat je doen moet. Neem mijn pistool uit het nachtkastje en schiet haar neer.'

Moeder komt kamer binnen. `Wat is er', vraagt vader bits. `Kunnen mijn zoon en ik niet even rustig praten?' Moeder snelt kamer uit.

Ali: `Goed, wat moet ik doen?'

Vader: `Hoe bedoel je `wat moet ik doen'. Je weet toch wat je moet doen? Als je een man wilt worden weet je dat.'

Ali: `Ja maar, ik neem het pistool, ga naar binnen en schiet hem gewoon neer?'

Vader: `Ali, jongen, het doet me erg, erg veel verdriet je dit te laten doen. Begrijp je dat? Maar jij bent de enige uit de familie die dit kan. Je bent nog maar zeventien. In Nederland krijgen jongens onder de achttien geen straf. Je gaat maar voor een paar maanden naar een inrichting of zo en daarna ben je weer thuis. Kunnen we weer met opgeheven hoofd naar de moskee.'

Ali: `Een paar maanden.'

Vader: `Het is niks, het is zo voorbij. Mij zouden ze tien jaar opsluiten, snap je, zo zijn die blanken, die snappen er niets van.'

Ali: `En dan, als ik geschoten heb, wat moet ik dan?'

Vader steekt nieuwe sigaret op. `Dan kom ik je halen en rijden we naar het politiebureau.'

Ali: `Kom je mee naar binnen?'

Vader: `Natuurlijk, je bent mijn zoon. Ik ga je niet in de steek laten. Nooit.'

Ali: `En wat moet ik ze vertellen?'

Vader: `Vertel ze de waarheid. Dat Hasan haar ontvoerde naar Turkije, haar heeft misbruikt, dat ze terugkwam, huilend. Omdat ze haar hebben verkracht. Dat je dit moest doen, omdat een verkrachter dood moet.'

Ali: `Moet ik hem helemaal doodschieten?'

Vader: `Hoe bedoel je helemaal doodschieten. Wat wil je, wil je hem doodkietelen?'

Ali, met stemverheffing: `Pa!'

Vader vervolgt, op zachte toon: `Natuurlijk moet je hem doodschieten. Je richt op zijn hart en haalt de trekker over.'

Ali, gniffelend: `Ik kan beter een stuk lager richten.'

Vader: `Dit is geen grap, jongen. Als je gedaan hebt wat je moet doen keer je je om en loop je naar buiten, waar ik op je wacht.'

Ali: `Ik moet hem dus helemaal doodschieten.'

Vader: `Ach hou toch op, doe niet als een wijf. Die vent moet dood. Hij is de verkrachter van je zus.'

Ali: `Ik kan hem ook omverrijden met de Opel. Dan lijkt het een ongeluk.'

Vader: `Zie je dat je er niets van snapt? Het gaat niet om een moord, het gaat om de eer. De mensen moeten weten dat wij wraak hebben genomen. Ze moeten weten dat we dit niet zomaar over ons heen hebben laten gaan.'

Ali: `En komt dan alles weer goed met zus?'

Vader, geïrriteerd, rook uitblazend: `Natuurlijk niet. Met haar komt het nooit meer goed. Haar leven is geruïneerd. Ze heeft geen toekomst meer. Maar dat is Hasans schuld. Daarom mag hij ook geen toekomst meer hebben. Dat is gerechtigheid.'

Ali, nauwelijks hoorbaar: `Goed, geef me het pistool.'

Vader staat op, gaat naar zijn zoon en omhelst hem innig. `Ali, ik ben zo trots op je. Ik ben zo trots op je.'

Ali ondergaat de omhelzing, met de ogen wijd open.

Doek.