Beleggers `slapende fondsen' blijven op aandelen zitten

De Duitse Dresdner Bank koopt de slapende houdstermaatschappijen van Koninklijke Olie en Unilever uit na een deal met de fiscus. Beleggers vragen zich af of zij er beter van worden.

De aandelen in Dordtsche Petroleum, Moeara Enim, Maxwell en Calvé-Delft zijn vanmorgen om 10 uur na een week schorsing teruggekeerd in de notering. Een uur na opening van de Amsterdamse effectenbeurs om beleggers nog wat langer de gelegenheid te geven om de persberichten te bestuderen van de houdstermaatschappijen over een mogelijk bod van de Duitse Dresdner Bank.

Of die studie veel helderheid zal brengen, is vooralsnog de vraag. De overeenkomst tussen Veer Palthe Voûte (VPV), een Nederlandse dochter van Dresdner, en het ministerie van Financiën die voor het weekeinde werd gesloten, laat nog veel zaken onduidelijk. De handel in de vier houdstermaatschappijen was vanmorgen beperkt, wat erop duidt dat veel beleggers op hun handen bleven zitten.

Het akkoord met de Belastingdienst draait om de stille schat van de houdstermaatschappijen. Die schat wordt gevormd door de aandelen-Unilever, het enige waarin Calvé-Delft belegt, en aandelen-Koninklijke Olie, de exclusieve belegging van Dordtsche Petroleum, Moeara Enim en van Maxwell. En ook van TG Oliehaven en TG Petroleumhaven, die vanmiddag nog geen persbericht hadden doen uitgaan en om die reden nog niet in de notering waren teruggekeerd.

Wie belegt in de houdstermaatschappijen belegt in feite in de onderliggende aandelen, maar met een korting die de afgelopen jaren zo'n twintig procent bedroeg. Die korting, discount in het jargon, wordt vooral veroorzaakt door een latente fiscale claim. Immers, de houdstermaatschappijen hebben begin deze eeuw de stukken voor een habbekrats verworven, terwijl de aandelen nu vele malen meer waard zijn. Bij liquidatie van het fonds moet over het verschil belasting worden betaald.

Nu nog tenminste, want na 2006 wordt al het vermogen belast met een vaste heffing van 1,2 procent en vist de fiscus achter het net. Om die reden is Financiën ingegaan op de deal met VPV. Die deal behelst kortweg dat de beleggers in de slapende fondsen worden betaald met de waarde van de onderliggende aandelen Koninklijke Olie en Unilever, minus de afdracht aan de belasting. De staat krijgt daarbij in elk geval 2,85 procent, hetgeen neerkomt op zo'n half miljard gulden.

Nederlandse particulieren, pensioenfondsen en institutionele beleggers die geen vennootschapsbelasting betalen, betalen alleen dat tarief plus O,9 procent vergoeding aan VPV. Maar buitenlandse ingezeten betalen daarenboven nog eens 6 procent belasting, terwijl Nederlandse ondernemingen 11 procent extra betalen. Dat onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse partijen wordt verdedigd met het argument dat buitenlanders hun dividendbelasting moeilijker kunnen verrekenen.

In de markt wordt de opbrengst van de staat in totaal op een dikke miljard gulden geschat. Ook VPV springt er goed uit, want niet alleen wordt een vergoeding van zo'n 250 miljoen gulden opgestreken, ook is VPV zelf een institutionele, van belastingen vrijgestelde aandeelhouder in Dordtsche en valt dus in de gunstigste categorie.

In hoeverre andere partijen profiteren, is lastig na te gaan. Zo krijgen Nederlandse particulieren 96,25 procent van de onderliggende waarde, maar velen van hen beleggen via een (pensioen)-bv en komen dan dus uit op 85,25 procent. Ook beleggers die na 3 december aandelen hebben gekocht betalen het volle pond en zien zich dus gekort met zo'n 15 procent – niet zo veel minder dan de huidige discount.

Dat was vanmorgen goed terug te zien in de koersen van Moeara Enim en Maxwell die rondom het middaguur een discount van rond de 15 procent hadden. Bij Calvé-Delft en Dordtsche liep de discount forser terug, tot respectievelijk 10 en en 11,6 procent rond het middaguur.

Beleggers in Dordtsche lijken overigens weinig keuze te hebben: het fonds kondigde vanmorgen een superdividend voor volgend jaar aan, waarover een belasting van 25 procent wordt geheven.