Altijd maar zwoegen

Een zoon van een boer weet wat werken is. Hij klaagt zoals elke boer als het te lang heeft geregend en hij klaagt als de zon te lang heeft geschenen. Nooit is het weer goed, nooit is het leven mooi. Maar altijd gaat hij door. Want het hooi moet van het land, de piepers moeten gerooid, de varkens moeten gevoerd en de koeien moeten gemolken. Wie zich de moed laat ontnemen door de elementen is geen echte zoon van het land.

Adrie van der Poel is zo'n jongen van het land. Een West-Brabantse jongen zonder poeha, zonder gouden ketting om zijn hals en pols, een jongen die bereid is genoegen met zichzelf te nemen. Zoals hij als veertiger nog steeds zwoegt en op zijn fiets door de modder ploetert. Dat moet toch een voorbeeld zijn voor de zeurkousen van de jongste generatie die nog meer comfort en nog meer geld wil. Van der Poel, dat is pas een jongen van het harde sportleven.

Natuurlijk wilde Adrie als jongetje voetballen. Welk jongetje wil dat niet om te ontkomen aan de sleur van alledag en de traditie van intellectuele vorming? Voetballen biedt avontuur. Maar wielrennen nog meer. Vechten tegen weer en wind, vechten in je eentje tegen iedereen die je maar tegenkomt op je weg. Toen Adrie voor de eerste maal wielrenners had gezien, wist hij dat hij een racefiets wilde. Hij ging aardbeien en bonen plukken en vergaarde zo het geld om bij te dragen aan het cadeau dat zijn vader hem wilde schenken: een fiets met een smal zadel, een krom stuur en een versnelling.

Adrie bleek in zijn jonge jaren geen talent op de racefiets. Het ontbrak hem vooral aan koersinzicht. Maar hij moest en zou wielrennen. Zoals wel vaker werd het talent van een jongere broer, Jacques, de drijfveer om door te gaan op momenten dat iedereen hem zei er maar mee te stoppen. Adrie kon het niet verkroppen dat Jacques heel veel wedstrijden won en hij geen enkele. Dus ging Adrie door. Hij verslond kilometers op de fiets, reed dijken op en af, zocht naar de zwaarste stormen om tegenin te fietsen en won zowaar een wedstrijd. Tsjonge, wat waren ze opgelucht dat Adrie na twee jaar wielrennen eindelijk eens won.

Hij overtrof uiteindelijk zijn broer. Hij won als amateur zowat alle wedstrijden. Hij won als professional de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik, Tour-etappes, gele truien, groene truien, bergtruien en nationale titels als wegrenner en nationale titels en een wereldtitel als veldrijder. Adrie hield maar niet op met fietsen. Soms moest zijn vader hem eraan herinneren dat de koeien gemolken moesten worden. Geen probleem, Adrie deed wat hij vond dat hij moest doen: niet zeuren, niet denken, gewoon doen.

Adrie van der Poel is een sportman die in deze tijden van verwende topsporters respect verdient. `Poeleke' is een gewoon mens gebleven, altijd bereid om journalisten te woord te staan, nooit een woord dat riekt naar zelfingenomenheid of distantie jegens het volk. Geen wonder dat de dochter van illustere Tour-winnaar en wereldkampioen Jan Janssen verliefd op hem werd. Maar Karin bleek uiteindelijk toch meer van Fransen te houden en verdween uit zijn leven. Dus werd Corinne Poulidor zijn liefde. Poulidor? Ja, dat is die wielrenner, de boerenzoon die altijd tweede werd in de Tour de France, achter de blonde god Anquetil. Corinne is een empathische vrouw die zich aangetrokken voelt tot sportmensen die een nederlaag accepteren met een glimlach en een overwinning met de realiteitszin van een boer. Adrie van der Poel is een man die beseft dat de mensheid almaar gekker wordt van winnen. Gewoon doen is niet meer van deze wereld.