Zorg boven Kennis

`Iwil de stem van de leraar een plaats geven'', vertelt Karin Hoogeveen in haar huiskamer in Utrecht. Op 2 december promoveerde zij in Leiden op haar studie `Het kunnen allemaal je eigen kinderen zijn'. Het bijna vierhonderd pagina's tellende boekwerk is een bundeling van vier onderzoeken onder leraren in het basisonderwijs naar hun beroepsopvattingen. Hoogeveen vond een aantal opmerkelijke dingen die op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen niet altijd met gejuich zijn ontvangen. ``Ik ben daar echt verketterd.''

Het begon allemaal in 1995 toen Hoogeveen – in het kader van het groeiend tekort aan leraren – van het Ministerie van OC&W de opdracht kreeg onderzoek te doen naar belemmeringen die vrouwen met kinderen ondervinden in hun werk als leerkracht, of in het weer aan het werk gaan als herintreedster. Na gesprekken met 35 vrouwelijke leraren met kinderen kwam Hoogeveen tot de conclusie dat die belemmeringen vooral in hun opvattingen over hun werk en het moederschap lagen. ``Zij voelen zich zowel voor het welzijn van hun leerlingen als van hun eigen kinderen grenzeloos verantwoordelijk. Dat betekent voor hen dat ze er áltijd willen zijn, zowel voor hun leerlingen, als voor hun kinderen. Omdat dat moeilijk te combineren is kiezen ze dan uiteindelijk voor het moederschap.''

Opvallend was dat de geïnterviewde vrouwen zich in hun werk in de eerste plaats verantwoordelijk voelden voor het persoonlijk welzijn van de leerlingen in hun groep en niet voor de leerprestaties. Voor enkelen was de zorg voor de leerlingen zelfs een doel op zich. Deze bevindingen schoten het Ministerie van OC&W in het verkeerde keelgat, omdat daar al jarenlang werd gewerkt aan professionalisering van het onderwijs met als sleutelwoord `opbrengst': het bereiken van een zo hoog mogelijk leerresultaat. ``Er werd gezegd dat ik een rare tuttenbollenclub had onderzocht die niet representatief was.'' Hoogeveen kreeg vervolgens de opdracht haar bevindingen kwantitatief te toetsen onder 1.700 mannen en vrouwen werkzaam in het basisonderwijs. Dit onderzoek bevestigde haar eerdere conclusies en vervolgens werd het stil in Zoetermeer.

Hoogeveen had de vinger op een zere plek gelegd: de kloof tussen de beroepsopvattingen van leraren en de visie van de beleidsmakers. Hoogeveen staat overigens niet alleen in haar conclusies: de in november 1998 verschenen studie `De waardevolle leraar' van het Katholiek Pedagogisch Centrum komt met vergelijkbare bevindingen. Leraren in het basisonderwijs vinden het creëren van een goede sfeer en het zorgen voor een veilige en vertrouwde omgeving hun belangrijkste taak, hun doel is om kinderen tot evenwichtige volwassenen te vormen. In de beleidsnota's daarentegen komt het woord `zorg' niet voor en worden `het overbrengen van kennis en vaardigheden en het managen van leerprocessen' als de belangrijkste verantwoordelijkheden van de leraar genoemd.

Sterker nog, in de door Hoogeveen geanalyseerde beleidsnota's – ondermeer van de Commissie Evaluatie Beroepsonderwijs (CEB) – krijgt de beroepsopvatting van de leraren waarin zorg centraal staat het etiket `achterhaald', een neerslag van de jaren zestig en zeventig, waarin de nadruk lag op het bieden van een veilige en stimulerende omgeving waarin leerlingen zich konden ontplooien. De jarenlange grote nadruk op `zorg' had er volgens het CEB toe geleid dat het aanbrengen van een basispakket aan kennis, inzichten en vaardigheden te zeer naar de achtergrond werd gedrongen. Daarom moest de leraar van pedagoog veranderen in manager leerprocessen. Het CEB sprak de verwachting uit dat dit achterhaalde beroepsbeeld vanzelf zou doodbloeden als er nieuwe generaties leraren voor de klas kwamen. Hoogeveen vond in haar onderzoek echter dat juist jonge leraren nog minder gericht zijn op leerresultaten dan oudere leraren.

``Voor ons is de tegenstelling die Hoogeveen schetst niet absoluut'', reageert een voorlichter van het Ministerie van OC&W. ``Als je niet van kinderen houdt word je geen leraar. Het één is een voorwaarde voor het ander.'' Wat leraren beschouwen als het belangrijkste onderdeel van hun taak wordt door OC&W als een vanzelfsprekende eigenschap van `de leraar' beschouwd. Onnodig dat nog te vermelden in de beleidsnota's, zo blijkt uit de woorden van dezelfde voorlichter: ``Onze beleidsnota's beginnen op het punt waarop al aan die voorwaarde is voldaan.''

Het gevolg is echter wel dat leraren zich miskend voelen. Hoogeveen: ``Leraren in het basisonderwijs hebben het idee dat ze het volgens het Ministerie van Onderwijs fout doen. Ze voelen zich ondergewaardeerd en niet serieus genomen. Hierdoor staan ze onwillig tegenover steeds weer nieuwe maatregelen waar zij mee te maken krijgen en houden keihard vast aan hun eigen opvattingen. Leraren hebben het idee dat zaken als het maken van een schoolplan, het in toenemende mate testen van leerlingen en het bijhouden van hun vorderingen hen afhouden van hun werkelijke taak: het omgaan met de kinderen. Daar is verzet tegen, zij het op micro-niveau: burgerlijke ongehoorzaamheid. Een kleuterjuf die lekker met de kinderen naar buiten gaat als het mooi weer is, dwars door de planning van cognitieve vaardigheden heen.''

De opvattingen van de beleidsmakers en de leraren lijken mijlenver uit elkaar te liggen. Maar gaat het niet gewoon om twee zijden van dezelfde medaille? Beide partijen lijken immers van mening dat een goede en veilige sfeer in de klas een voorwaarde is om te kunnen leren. Hoogeveen is het daar niet mee eens. ``In de beleidsnota's overheerst heel sterk een instrumentele visie. Er wordt voorbijgegaan aan de leraar als mens, voor hen is een leraar een leraar. Beleidsambtenaren hebben het over de `productiefactor personeel' en over `instrumenten om doelstellingen' te bereiken, alsof het onderwijs een koekjesfabriek is. Leerkrachten moeten zich volgens het Ministerie in de eerste plaats voortdurend afvragen hoe leerdoelen zo effectief mogelijk bereikt kunnen worden. Leerkrachten echter beschouwen hun vak nog altijd als een roeping, een vak waarvoor je over een `behoorlijke dosis idealisme' moet beschikken. Een goede leraar is een volgens hen iemand met feeling voor kinderen, iemand die liefde en warmte uitstraalt en eerlijk en kwetsbaar durft te zijn. In de beleidsnota's wordt daar totaal aan voorbijgegaan. Een professionele leraar wordt hierin omschreven als iemand die nascholing volgt, zijn literatuur bijhoudt, overlegt met collega's en medeverantwoordelijkheid draagt voor het beleid van de school.''

Hoogeveen pleit ervoor om de zorg voor leerlingen op te nemen in de definitie van de professionele leraar: ``Ik verwacht dat meer vrouwen met kinderen, een groep die in het onderwijsbeleid een belangrijke plaats inneemt, zich dan aangesproken voelen om weer voor de klas terug te keren.'' Het overnemen van die aanbeveling lijkt een eenvoudige maatregel in de strijd tegen het lerarentekort. In reactie hierop zegt een voorlichter van het Ministerie van OC&W te verwachten dat er ``niet onmiddellijk'' iets mee gedaan wordt.