Mondige patiënt?

In het stimulerende verslag over de gedachtengangen van vier denkers in de gezondheidszorg van morgen (Z 27 nov.) wordt H. Simons geciteerd, die vier instrumenten opsomt voor het vergroten van de macht en de verantwoordelijkheid van de toekomstige patiënt: budgettering, kwaliteitsmeting, financiële prikkels en vermindering van bureaucratie. Dit alles nadat eerder werd bericht dat het gaat om beslissingsbevoegdheid èn bescheidenheid van de patiënten. En het artikel eindigt met de mededeling dat men bij de benodigde experimenten huisartsen, specialisten, ziekenhuisdirecties en verzekeraars wil betrekken.

Het is merkwaardig dat hier de groep ontbreekt waarom het te doen is: de patiënten. De deskundigen zullen zonder aarzeling beamen dat die niet alleen een taak moeten vervullen in het nieuwe systeem, maar ook in de voorbereiding daarvan. Maar de vraag wat die taak moet inhouden en wie daartoe gekwalificeerd zijn, kan niet goed worden gesteld zolang – zoals in dit artikel gebeurt – de patiënt nog wordt gezien als `de klant' of `de gebruiker'. Naar mijn beperkte ervaring met patiënten zijn veel van hen in hun contact met de deskundigen van de gezondheidszorg bang voor wat ze te horen zullen krijgen en dus geïntimideerd, dan wel veeleisend in hun rol van consument. In beide gevallen zullen ze niet goed in staat zijn tot de constructieve samenwerking die in deze toekomstmuziek wordt verondersteld.

Als voor de hand liggende remedie wordt dan al gauw voorlichting aanbevolen: verspreiding van kennis over ziektesymptomen en geneeswijzen. Dat is zeker nodig, maar even zeker onvoldoende zonder oefening in het gebruik ervan. En zonder het benodigde zelfvertrouwen, die van de patiënt een medewerker in de gezondheiszorg maakt in plaats van een veeleisende, alleen in naam mondige consument. Dat vraagt om veel méér dan voorlichting: om educatie.

`In de zorg vliegt voorlopig geen zwerm spreeuwen met alleen interne regels', zo wordt geconcludeerd. Zolang de spreeuwen niet hebben leren vliegen is die opmerking wel juist, maar kan er ook niet worden beweerd dat het spreeuwenmodel onbruikbaar is.