Mevrouw, als hij belt, ik zit aan tafel zeven

Het massale mobiele bellen begon in 1994, toen Nederland GSM kreeg. Maar het kon al in 1949, het jaar waarin de PTT het eerste `openbaar landelijk net' opende. Via een telefoniste ging het toen nog en je moest weten waar degene die je wilde bellen zat. In 1980 begon het ergens op te lijken: met ATF1 (Automatische Telefonie 1) kon er automatisch worden gebeld – met telefoons zo groot als een verhuisdoos. Wim Dik had één van de eerste.

,,Ik kreeg mijn eerste achttien jaar geleden. Of was het nou eerder? Nee, nee, achttien jaar, toen ik staatssecretaris werd. Er waren toen twee types, Castor en Pollux, ik had een Castor. Die zat in de auto, maar je kon hem loskoppelen en meenemen. Mobiele telefoons kostten toen negen of tienduizend gulden. En ze wogen denk ik wel een kilo of twee. In die tijd had ik trouwens nog iets heel bijzonders. Alle ministers en staatssecretarissen hadden de beschikking over een net waarmee ze zich rechtstreeks in verbinding konden stellen met Driebergen. Als we in de file zaten, en we hadden haast, dan kwam er een politieagent op de motor die ons over de vluchtstrook langs het verkeer leidde. Nee, erg vaak heb ik er geen gebruik van gemaakt, misschien drie keer in een jaar. Die politiemannen houden van tempo — je zit met het zweet in je handen.

Sinds die Castor heb ik altijd een mobiele telefoon gehad. Het is heel handig als je gereden wordt, maar nog handiger als je zelf rijdt. Want dan kun je niet lezen en je moet zelf op de weg letten, maar daar heb je niet honderd procent van je hersencapaciteit voor nodig. Dus ondertussen zweven je gedachten vrij rond. O ja, gisteren was die vriendin jarig. Of: o ja, mijn moeder dit en dat. En je kunt meteen bellen, je maakt schoon schip met je geheugen. Het verhoogt je efficiency.

Waar ik nu met ergernis naar kijk: dat er zo'n toestand wordt gemaakt van het telefoneren in de auto. Mensen roken achter het stuur, zitten achterstevoren met hun kinderen te praten, morsen met hun cola en vegen hun broek schoon, kijken bewonderend naar hun vriendin en niemand die dat een probleem vindt. Maar zodra het om de mobiele telefoon gaat, is het wél een probleem. Terwijl we nu ook nog handsfree kunnen bellen. Vanwaar die agressie? Ik begrijp dat niet.

Ik zie wel dat het taboe begint af te nemen. De tijd dat een dame niet mocht roken is voorbij. De tijd dat mensen niet mobiel mochten bellen is straks ook voorbij. Waarom zou het bijvoorbeeld niet normaal worden dat je in een restaurant je telefoon afgeeft in de garderobe. Mevrouw, als hij overgaat, ik zit aan tafel zeven. Dat kan toch prima? Dat is netjes.

Een van de prettigste dingen van de mobiele telefoon vind ik het contact met mijn vrouw. Als je leeft zoals ik leef is dat essentieel. Ik bel haar altijd, iedere dag, 's morgens en 's avonds, waar ik ook ben ter wereld. En tussendoor bel ik haar als er een noodzaak is. Toevallig had ik haar net nog aan de telefoon. Ik loop namelijk tegen het einde van mijn loopbaan en ik ga nog een paar externe vestigingen bezoeken. En zij gaat met me mee.

Mijn meest geliefde telefoon heb ik aan mijn riem hangen. Een Motorola, acht centimeter lang, vier centimeter breed, anderhalve centimeter dik. Hij trilt als er iemand belt, ik klap hem open, kijk naar het nummer en zit ik in een vergadering, dan zeg ik ogenblik en ik loop naar buiten. Of ik zeg: ik bel zo terug. Ik stoor niemand. Het nummer van die telefoon hebben alleen mijn vrouw, mijn kinderen en mijn secretaresse. Mijn secretaresse weet precies wie ze met mij mag doorverbinden. Ik heb ook een mobiele telefoon in mijn auto en in mijn boot. Misschien denken mensen: o wat gruwelijk, wat zit die man aan z'n communicatie vastgeknoopt. Maar ik vind het heerlijk. Ik loop in de stad, ik zie iets in een etalage en ik denk: da's waar ook, dat wilde mijn vrouw nog hebben, even bellen om te vragen welke kleur. Of ik sta bij de slager, ik weet dat ik vier dingen nodig heb, maar ik herinner me er nog maar drie. God schat, ik heb dit en ik heb dat, wat was dat andere ook al weer?''