Kunstvakken tweede fase deugen niet

Met de bestaande mogelijkheden van beeldende vorming en muziek in het VWO en Havo is misschien wel iets mis maar veel minder dan met de zogenoemde kunstvakken in de tweede fase van het middelbaar onderwijs, meent Huub Beurskens

Onlangs werden door de staatssecretarissen van Onderwijs en Cultuur gezamenlijk de eerste vouchers uitgereikt waarmee leerlingen culturele evenementen kunnen bezoeken. Uitstekend. Had allang eerder moeten gebeuren. Het is prima om leerlingen op allerlei manieren te stimuleren tot het bezoeken van voorstellingen en tentoonstellingen op de diverse terreinen van cultuur en kunst.

Maar hoe haalt men het in zijn hoofd om uitgerekend de muzische vakken in de bovenbouw van de middelbare school deze levenloze naamgeving toe te dienen: CKV? Hoe haalt men het in zijn hoofd om de onder die noemer op één amorfe hoop geveegde uiteenlopende disciplines vervolgens weer onder te verdelen met de nog dodelijkere benamingen CKV1, CKV2 en CKV3? Wat was mis met de bestaande mogelijkheden van beeldende vorming, muziek of drama in het VWO en de Havo? In elk geval veel minder dan wat mis is met de mogelijkheden van zogenoemde kunstvakken in de tweede fase van dat middelbare onderwijs. Door invoering van het `profiel' Cultuur & Maatschappij, door gebruik van woorden als `Culturele' en `Kunstzinnige' in één verband en vervolgens door de driedeling wordt de suggestie gewekt dat de artistieke opvoeding van onze jeugd niet meer stuk kan. Verlakkerij is het.

In de praktijk voltrekt zich een ramp. Tijd is een doorslaggevende, kostbare factor in de kunstdisciplines. Een muziekstuk kun je niet in een paar minuten snappen, schilderen en het waarderen van andermans schilderen moet je al doende, gaandeweg leren. Welnu, de totaal beschikbare tijd voor CKV 1, 2 en 3 bij elkaar is al minder dan de tijd die een leerling ter beschikking had voor bijvoorbeeld alleen het vak tekenen en kunstgeschiedenis in zijn examenpakket. Een VWO-leerling in de zogenoemde tweede fase kan met succes zijn drie bovenbouwjaren doorlopen zonder ooit één keer een tekenpotlood, een homp klei te hebben aangeraakt, een danspas te hebben gemaakt of een muzieknoot te hebben genoteerd. Het enige `vak' dat zo'n leerling, ongeacht zijn profiel, dan verplicht heeft gehad is CKV1.

Concreet en vertaald in het inmiddels tot anathema verklaarde lesuren- of vijftig-minuten-systeem betekent dit dat hij gedurende twee jaar een uurtje per week wat heeft moeten ruiken aan de meest uiteenlopende kunstdisciplines: willekeurig hapsnapwerk dat na een paar verplichte nummertjes als zijnde gedaan kan worden `afgevinkt'. Van een heus examen is geen sprake, kan ook geen sprake zijn want wat zou in hemelsnaam moeten worden getoetst? Tegelijkertijd hangt de invulling van CKV1 louter en alleen van de docent in kwestie af, dat wil zeggen, van de vraag of die bereid is zichzelf het apenzuur te organiseren voor een flutresultaat. CKV1 wordt het absolute kneusje onder de schoolvakken.

Hier wreekt zich ook de misleidende naamgeving, want tegelijkertijd weerhoudt het menige leerling ervan te kiezen om in CKV 2 en 3 examen te gaan doen. Begrijpelijk, want als leerling ben je blij dat je van dat verplichte tot niets verplichtende en niets opleverende willekeurige kunstzinnige gedoe van CKV1 verlost bent. En in plaats van dat CKV2 nu echt de specialistische diepte kiest, worden de zaken andermaal verdund en uitgesmeerd. CKV2 is een puur theoretisch vak waarin zowel beeldende kunst, dans, drama en muziek aan de orde moeten komen. Wederom in een mum van tijd `van alles wat' en dus van niets echt iets begrijpen. De afsluiting ervan vindt plaats middels een centraal schriftelijk examen. Ook CKV2 spiegelt weer veel meer voor dan gezien de toegemeten ruimte ooit te verwezenlijken is. (Het proefexamen dat momenteel in omloop is toont overduidelijk het te verwachten fiasco van CKV2. Leerlingen die goed analytisch de toelichtende teksten kunnen lezen kunnen vrijwel zonder te kijken naar de reproducties of te luisteren naar de muziek de vragen ruim voldoende beantwoorden; waarnemen wordt hier noodgedwongen vervangen door tekstverklaren – de clichés en voorgekauwde meningen zullen niet van de lucht zijn.

In CKV3 komt dan de vakspecifieke theorie aan de orde. Maar die wordt weer níet centraal getoetst. Intussen heeft de leerling die CKV 2,3 wél in zijn `profiel' heeft nog altijd geen enkele concrete creatieve handeling hoeven verrichten. Van het totaal aantal `studielasturen' (weer zo'n deprimerende term: een `last' wil je zo gauw mogelijk kwijt, toch?) van CKV 2 en 3 heeft hij inmiddels tweederde verbruikt. (En dan laten we de twee uurtjes CKV1 nog maar buiten beschouwing) Met wat over blijft mag hij proberen ook nog eens zelf iets te produceren. Waarbij hij, hoe kan het anders, zijn producten ook nog eens theoretisch dient te kunnen onderbouwen. Bovendien moet CKV3 twee kunstdisciplines omvatten. Kiest hij bijvoorbeeld muziek en beeldende vorming dan moet hij er ook nog eens rekening mee houden dat die laatste discipline ook weer twee categorieën (bijvoorbeeld vlak en ruimtelijk) moet omvatten. Alsof dat allemaal een pot nat is. De verhoudingen zijn volkomen zoek. Prioriteiten en volgorde zijn radicaal omgedraaid. Elke ervaren docent tekenen weet dat het niet zo werkt, dat het bijna altijd precies andersom werkt en uit de aard der zaak ook zo hóórt te werken. Leerlingen hebben zijn vak vrijwel altijd als examenvak gekozen vanuit hun plezier aan juist het letterlijk maken, vormgeven, doen. De kunstgeschiedenis en -beschouwing werd daarbij altijd op de koop toegenomen. Gaandeweg echter kon die theorie tot leven komen, juist doordat de mogelijkheden en problemen van het eigen werk zichtbaar begonnen te worden en antwoorden kregen in het werk van kunstenaars. In de tweede fase wordt het paard achter de wagen gespannen. Het lijkt er sterk op dat al deze plannen zijn bedacht door lieden die met een glas sherry in de hand op een vernissage over De Kunst staan te orakelen maar er niet over piekeren het risico te lopen vuile kleren en handen te krijgen in de werkplaats van zo'n kladderaar. Snobs dus.

Maar ongetwijfeld hebben ook andere factoren bijgedragen aan deze funeste ontwikkelingen. Bezuinigingsmaatregelen. Het afknijpen van andere vakken, zoals de talen en geschiedenis, die van oudsher een vanzelfsprekend deel van de culturele opvoeding in hun pakket hadden. Angst niet voor vol te worden aangezien als je er zelf als `kunstcoördinator' geen bureaucratisch jargon en systeem op na zou houden. Het sluiten van compromissen tussen veel te veel belangengroeperingen. En in het beste geval een naïef utopisme, met de nadruk op het adjectief, want zó veel tegelijk willen in uiteindelijk minder tijd dan ooit draagt er slechts toe bij dat CKV uiteindelijk zal blijken te zijn wat het bij nader inzien nu al is: de excuustruus van het utiliteitsdenken in de nieuwe fase in het middelbare onderwijs.

Huub Beurskens is auteur, redacteur van De Gids en parttime docent Tekenen en Kunstgeschiedenis.