Grote controversen

Rene Gabriëls. Intellectuelen. Publieke controversen over kernenergie, armoede en Rushdie. 272 blz. Universiteit Utrecht, 21 oktober 1999. Promotores: prof.dr. L. Nauta, prof.dr.mr. C. Schuyt, prof.dr. A. de Ruijter.

Dat is niet niks, de top van de Nederlandse filosofie, sociologie en culturele antropologie als je promotoren. Dan moet je wel wat te bieden hebben en dat is ook zo, al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen. Want dit proefschrift ziet er niet uit, een A 4-formaat dat aan de stencilmachine herinnert, een flodderig omslag met een geniet bandje, plakstrookjes om een fout op de titelpagina te verbergen, een ontbrekende bladzijde en een behoorlijk aantal typ-, stel- en stijlfouten. Zulke proefschriften kom ik eigenlijk nooit meer tegen, maar ik zou er onmiddellijk voor kiezen, als ze allemaal zo leuk en leesbaar waren als dit boek van Rene Gabriëls. Volstrekt onopgesmukt, niet eens `mooi' geschreven zelfs, maar wel verbazend vanzelfsprekend en zeker van toon. Het staat er allemaal zo gewoon en alledaags, dat je bijna zou vergeten hoeveel werk of misschien zelfs vooral intelligentie ervoor nodig is om zulke ingewikkelde zaken zo tot hun kern terug te kunnen brengen. Ik werd daar erg vrolijk van en ik hoop dat hetzelfde gold voor die hele equipe van promotoren die Gabriëls op de verschillende terreinen van zijn onderzoek heeft ingezet (hij studeerde zelf sociologie, psychologie en filosofie in Groningen en Frankfurt).

`Intellectuelen leven voor en van ideeën'. Dat is de eerste zin van het boek, die meteen duidelijk maakt wat in sociaal opzicht het verschil is tussen modernisme (`intellectuelen strijden in het openbaar voor hun ideeën') en postmodernisme (`intellectuelen leven letterlijk van hun ideeën', het is hun broodwinning en het bezorgt hun een bepaalde maatschappelijke status en een zekere mate van prestige onder beroepsgenoten). De modernisten zijn de vertegenwoordigers van de idealen van de Verlichting, de `stadhouders van het Ware, het Goede en het Schone'. Zij oordelen en treden als rechters op, terwijl de postmodernisten zich meer zien als de tolken van levensvormen die in hun context begrepen moeten worden. Ze zijn relativerender en ook positiever ingesteld dan de modernisten, omdat ze willen begrijpen en niet onmiddellijk ook toetsen aan universele waarden.

Nederlandse columnisten – dit is een voor Gabriëls typisch duikje van de hoge filosofische plank in het water van het gewone leven – zijn bijna per definitie modernisten. Wetenschappers blijken eerder postmodern in hun denken te zijn. Anders dan in Frankrijk noemen `intellectuelen' in Nederland zichzelf niet graag zo, het klinkt aanmatigend en is tegelijk toch ook stigmatiserend. De ambiguïteit in betekenis, zo blijkt uit Gabriëls' onderzoek, heeft er overigens ook in Frankrijk, waar het begrip eind van de negentiende eeuw ingang vond, van het begin af aan al in gezeten. Gabriëls geeft de discussie over de identiteit van de intellectueel een interessante wending door de vraag te stellen wat intellectuelen doen – op welke manier zij in het publieke debat staan –, hoe ze dat doen en wat ze uiteindelijk behoren te doen. Met dat laatste komt ook de vraag naar de verantwoordelijkheid van intellectuelen aan de orde, terwijl het in de vraag naar het hoe gaat om de verhouding tussen een moderne en een postmoderne benadering.

Kiest de intellectueel of verheldert hij, en hoe is de verhouding tussen die twee benaderingen? Het is juist op dit punt dat Gabriëls een eigen bijdrage ontwikkelt, die – heel Nederlands – probeert de tegenstelling tussen beide te overbruggen door een pragmatische aanpak voor te stellen, die als contextueel universalisme het beste van twee werelden moet verenigen in een combinatie van werkelijkheidszin en mogelijkheidszin. De intellectueel die daarvoor kiest ``lijkt op een vliegende vis die af en toe ideeën uit de lucht pikt en vervolgens in de een of andere context duikt om aan den lijve te ervaren hoever hij ermee komt''. Een opvallend relativerende laatste zin van een boek, dat voor het grootste deel gewijd is aan een analyse van enkele heftige publieke debatten uit de laatste decennia. Gabriëls haalt nog eens de herinnering op aan de Brede Maatschappelijke Discussie over kernenergie van alweer bijna twintig jaar geleden. Hij laat nog eens de discussie over de Duivelsverzen van Salman Rushdie en diens vogelvrijverklaring door Ayatollah Khomeiny de revue passeren – met enkele verrassende nieuwe inzichten als resultaat – en weet ook het recente debat over de armoede in Nederland in een nieuw licht te plaatsen.

Het is een beetje jammer dat deze zo heel verschillende controverses bij elkaar zijn gebracht in een boek waarin ze vooral ter adstructie van een toch anders gericht betoog dienen. Elk van de drie hoofdstukken verdient het apart gelezen te worden, zeker door degenen die `stakeholders' zijn geweest in de discussies van toen of die nu deelnemers zijn aan een vergelijkbaar debat. En dan denk ik inderdaad in de eerste plaats aan de gaswinning in de Waddenzee, maar ook aan de wenselijkheid van het uitvoeren van vredesmissies of het openlijk onder toezicht houden van mogelijk recidiverende zedendelinquenten. Het interessante van het kernenergiedebat was dat beide partijen (zoals ook in het Waddenzee-debat) bij voorkeur wetenschappelijke argumenten ter ondersteuning van hun positie – of van de positie van degenen in wier dienst ze zich hadden gesteld – aanvoerden. Het gaat om heel specifieke, gedetailleerde en voor de leek nauwelijks te volgen technische uiteenzettingen, die echter in het geval van de vertegenwoordigers van het antikernenergiestandpunt zeer sterk verbonden worden met overwegingen van algemeen belang (gevaren waar mensen zich niet aan kunnen onttrekken versus voor de industrie calculeerbare risico's) en zelfs met opvattingen over het op de juiste – democratische – wijze voeren van het debat hierover in het kader van de Brede Maatschappelijke Discussie.

Voor Gabriëls is dit voorbeeld interessant, omdat het laat zien dat context-kennis en zelfs een context-gebonden positie (ingehuurd zijn door de antikernenergiebeweging) verbonden kan zijn met, zelfs voort kan komen uit een geloof in universele waarden. In het Rushdie-debat wijst Gabriëls op een verschijnsel dat na de schietpartij in Veghel heel mooi bij Sonja Barend in B & W te zien was. Turkse leerlingen van de school konden goed verklaren waarom er geschoten was en ze konden dat met hun specifieke (contextuele) kennis van de noodzaak de eer van de familie hoog te houden zelfs begrijpen, maar tegelijkertijd wezen ze de handeling als zodanig volstrekt af. In de woorden van Gabriëls traden ze dus op als rechter en tolk tegelijk. Ze gaan heel pragmatisch uit van het probleem dat zich voor hen stelt – hoe sta ik tegenover een schietpartij op school? – en ordenen daarna de feiten en de waarden ten opzichte van elkaar en in relatie tot de vraag. Dat kan ertoe leiden dat de een tot de conclusie komt dat er verzachtende omstandigheden zijn voor de dader en dat de ander die juist niet ziet. De intellectuelen kwamen later die avond nog aan bod, maar dat leverde geen nieuwe inzichten meer op.

In zijn slothoofdstuk wijst Gabriëls nog op een aantal aspecten die zeker nadere uitwerking en bestudering in het kader van nieuwe controverses verdienen. Hij constateert dat er in de verschillende debatten wel overeenstemming was over de waarden die in het geding waren (duurzaamheid, distributieve rechtvaardigheid, vrede en vrijheid), maar uiteraard niet over de `contextualisering' en opmerkelijk genoeg vaak ook niet over de spelregels om de controverse goed uit te vechten of te beslechten. In de Brede Maatschappelijke Discussie was de besluitvorming door de regering geheel losgekoppeld van het debat en zelfs van de uitkomsten van het debat (Tsjernobyl beslechtte uiteindelijk het pleit in het voordeel van de antikernenergie-beweging), in het geval van Rushdie bleek over en weer geen echt gesprek mogelijk en in het armoededebat werd al snel de angel uit het conflict gehaald: de regering voelde zich plotseling door de bisschoppen gesteund in de strijd tegen armoede.

Enerzijds lijkt Gabriëls te betreuren dat er nogal wat mogelijkheden zijn om wat je zou kunnen noemen de vreugde van de intellectuele controverse vroegtijdig in te tomen en onschadelijk te maken, anderzijds wijst hij erop dat het `zuiveren van hybriden' tot een onnodige en onverzoenlijke verscherping van tegenstellingen leidt. De roman van Rushdie staat in het teken van het hybride karakter van levens op de grens van de Westerse en Oosterse cultuur, maar zowel de aanhangers van Khomeiny als de Westerse intellectuelen lijken nu juist die boodschap niet te willen horen. Zij doen juist hun uiterste best om de tegenstellingen zo zuiver en zo scherp mogelijk te maken. De werkelijkheid is ingewikkelder, zoals ook in Veghel bleek, waar de samenloop van Turkse tradities en kennelijk Koerdische tegenstelling en het dagelijks leven van Turken in Brabant en met Turken levende Brabanders op zijn kop zette. `Hybride' is misschien een te mooi en zacht woord voor wat daar op die school gebeurde, maar ik ben benieuwd wat het begrippenapparaat van Rene Gabriëls hier aan verheldering en dus aan een goede oordeelsvorming zou kunnen bijdragen.