Getallenstrijd

PAS AAN HET einde van de negentiende eeuw werd in Nederland statistiek niet langer als een weelde-artikel beschouwd, toen met de toenemende industrialisatie evidente sociale misstanden ontstonden. De overheid zag zich genoodzaakt om ordenend op te treden in het sociaal-economisch leven en objectieve statistische informatie was gewenst. Na jaren van sociale onrust brak het in 1897 aangetreden sociaal-liberale kabinet van Pierson en Goeman Borgesius definitief met het oud-liberale idee van staatsonthouding. Deze twee voormannen zorgden ervoor dat in 1899 het Centraal Bureau voor de Statistiek tot stand kwam. Bijna honderdeneenjaar geleden, met het Koninklijk Besluit van 9 januari 1899, legde de minister van Binnenlandse Zaken, Goeman Borgesius, het fundament voor het CBS. De taak van het CBS werd kort en bondig omschreven: het verzamelen, bewerken en publiceren van statistieken die de directeur nuttig achtte voor praktijk of wetenschap.

Het CBS werd een onafhankelijke instelling. Een sleutelrol in het bestuur kreeg de reeds vanaf 1892 bestaande, Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS), waarin ambtenaren en gezaghebbende personen uit de maatschappij zitting hadden. Zonder toestemming van de CCS mocht de directeur van het CBS geen nieuwe statistieken samenstellen of bestaande statistieken staken. Het Bureau, begonnen met slechts vijf personeelsleden, maakte een vliegende start. Reeds in 1903 bestond het CBS uit vijf afdelingen met veertig medewerkers. Deze snelle groei was het gevolg van allerlei nieuwe initiatieven van de CCS en het CBS (vooral op het nog onontgonnen gebied van de arbeidsmarkt), maar ook van de overdracht van departementale statistieken aan het CBS.

Al na het eerste lustrum pakten zich donkere wolken samen boven het CBS. De eerste plannen om te bezuinigen op statistische publicaties dateren al uit 1905. Met de druk van dreigende bezuinigingen heeft het CBS vrijwel haar hele verdere bestaan moeten leven. Het meest recente voorbeeld – een geplande inkrimping van het personeelsbestand met een kwart en de sluiting van de locatie Heerlen – is van 1999.

Hoezeer het CBS soms tegen de stroom moest oproeien en haar positie moest bevechten blijkt uit een prachtig voorbeeld dat A.-M. Kuijlaars in haar proefschrift Het huis der getallen uitwerkt: de totstandkoming van de `statistiek van het school- en leerverzuim'. De anti-revolutionaire voorman Abraham Kuyper was in 1901 Minister van Binnenlandse Zaken geworden, het departement waaronder het CBS toen ressorteerde. Hij was een groot tegenstander geweest van de invoering van de algemene leerplicht in 1901, en tijdens de onderhandelingen over de overdracht van de statistiek over het schoolverzuim probeerde hij zijn politieke nederlaag in deze te wreken. De statistiek op het schoolverzuim kon namelijk eventuele overtreding van deze wet onthullen. De overdracht van deze statistiek aan het CBS kwam met veel vertraging tot stand. Toen het CBS eindelijk wilde beginnen met de verzameling van de gegevens, ontstonden er meteen al weer problemen wie aan het CBS de gegevens over het schoolverzuim moest gaan leveren: de gemeenten of de schoolopzieners. De laatsten werden als berichtgever aangewezen, maar ze pleegden openlijk sabbotage van de informatie-overdacht openlijk. De motieven van de opzieners waren financieel (meer werk zonder verhoging van het tractement), maar ook speelde competentiestrijd een rol. Van de minister van Binnenlandse Zaken wilden de schoolopzieners nog wel opdrachten aanvaarden, maar niet van een statistisch bureau. En nog voordat de eigengereide schoolopzieners goed in het gareel liepen, kwam er voor de derde maal een kink in de kabel. In de zomermaanden van 1906 sneuvelde de nog niet eens uit de startblokken gekomen statistiek van het schoolverzuim al weer tijdens een forse bezuinigingsronde, waaraan ook het CBS haar bijdrage moest leveren.

Als er onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor een bepaalde statistiek bestond, dan was het voor het CBS vaak vechten tegen de bierkaai. In haar lijvige studie Het huis der getallen maakt Anne-Marie Kuijlaars overigens overtuigend duidelijk dat het ook omgekeerde opgaat. Zo maakte het CBS tijdens de Eerste Wereldoorlog een grote sprong voorwaarts; het personeelsbestand groeide in deze vier jaar met 150 procent. De verstrengeling tussen overheid, politiek en bedrijsleven die toen in het neutrale Nederland tot stand kwam onder druk van de oorlogsomstandigheden, maakte nieuwe en meer betrouwbare cijfers noodzakelijk. De productiestatistieken, die tot dan toe geheel ontbraken, zou snel uitgroeien tot een van de paradepaarden van het CBS. De verplichting om met regelmaat data te leveren had voor een behoorlijk deel van de ondernemers overigens ook een onbedoeld neveneffect. Ze werden gedwongen om goed boek te gaan houden. Nog in het midden van de jaren twintig werd aan een deel van ondernemend Nederland vrijstelling verleend van de verplichting om de telkaarten in te vullen omdat haar ``intellectuele ontwikkeling zó gebrekkig bleek dat van de invulling van de telkaarten niets terecht kwam''.

Ook de economische crisis van de jaren dertig bwas voor de ontwikkeling van de statistieken een gunstige periode. Herhaaldelijk verzocht de regering het CBS studies te verrichten die inzicht konden verschaffen in de economische crisis. In 1938 werd zelfs een afzonderlijke afdeling Conjunctuuronderzoek en wiskundige statistiek opgericht, die onder leiding kwam te staan van de latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen.

De Tweede Wereldoorlog was voor het CBS om een aantal redenen een bijzondere periode. Kuijlaars schrijft er niet expliciet over, maar het is duidelijk dat de Duitsers garen sponnen bij de nauwgezette en betrouwbare statistische gegevens die door het CBS verzameld waren.

Tijdens de roemruchte jaren van de wederopbouw waren er volop strubbelingen tussen het CBS en het departement van Economische Zaken. In 1948 vroeg minister Van den Brink aan het CBS om publicatie van de uitkomsten van de nationale boekhouding over 1946 en 1947 achterwege te laten. Want de gang van zaken in deze jaren was ongezond geweest en had geleid tot ``een sterke toename van de voorraden, een sterk verhoogde consumptie, buitengewoon hoge invoeren en een ontsparing''. Dat Nederland blijkbaar op (te) ruime voet leefde kon wel eens nare gevolgen hebben voor de Marshall-hulp, omdat de Amerikanen ``de gewoonte hebben om dergelijke stukken nauwkeurig te bestuderen'' De gewraakte publicatie bleef achterwege. Een storm van protest stak op toen de CCS – nog immer de opdrachtverlenende instantie voor het CBS – lucht kreeg van deze interventie van een minister. De voorzitter van de CCS, mr. P.J.M. Aalberse, maakte zich over het gebeurde bijzonder druk en sprak de gevleugeld woorden: ``de statistiek is het geweten der natie!''

De geautomatiseerde gegevensverwerking, die opkwam in de naoorlogse periode, had onmiskenbaar grote voordelen, maar er waren ook schaduwkanten. Het duidelijkst bleek dit bij de veertiende volkstelling die in 1971 gehouden werd. Vanaf 1969 uitten tegenstanders van de volkstelling in de media hun vrees voor een gecentraliseerde en geautomatiseerde opslag van individuele gegevens door de overheid. Eén druk op de knop zou voldoende zijn om te kunnen beschikken over alles wat men van een individu wilde weten. Bij een eventueel `kolonelsbewind' zou zo'n bestand gevaren kunnen opleveren, aldus de tegenstanders. Bij de behandeling van de wet die de volkstelling moest regelen werd daarom besloten dat 90 procent van de identificatiegegevens na drie jaar vernietigd moest worden. Slechts 10 procent mocht langer bewaard blijven. In feite betekende dit dat het gebruik van de uitkomsten van de volkstelling als basisregistratie grotendeels verloren ging. De meerderheid van het Parlement vond de privacy van het individu een hoger goed dan de precisiegraad van de statistiek. De onrust rondom de volkstelling van 1971 (die door alle commotie eigelijk een jaar te laat gehouden werd) bleef ook daarna nog bestaan. In 1980 bleek het sociaal-psychologische klimaat ten aanzien van de tellingen zelfs sterk verslechterd te zijn. In 1971 was de non-response 0,2 procent. Twee proeftellingen voor een te houden volkstelling in 1981 leverden een non-response van bijna 26 procent op. Zo'n onrustbarend hoog percentage zou het integraal karakter van de telling aantasten. Op grond daarvan werd uiteindelijk tot afstel besloten. In 1991 werd de Volkstellingenwet zelfs ingetrokken. Het Parlement kon hiertoe vrijwel risicoloos overgaan, omdat inmiddels de koppeling van vele verschillende gegevensbestanden letterlijk met de druk op een knop mogelijk is. De angst voor Big Brother lijkt de Nederlander niet meer te deren, gezien de vrij algemene acceptatie van Sofi-nummer en Air-Milespasjes.

A.-M. Kuijlaar. Het huis der getallen. De institutionele geschiedenis van het Centraal Bureau voor de Statistiek [CBS] en de Centrale Commissie voor de Statistiek [CCS], 1899-1996 [Voorburg/Amsterdam, 1999]. 603 blz., ISBN 90 6861 166 6. Prijs: ƒ65,00.