Eiwerpen

HET AW-MANAGEMENT volgt een cursus `leadership in the laboratory' om te voorkomen dat er al te veel opportunisme in het onderzoek sluipt. Dat men zich vastbijt in stokpaardjes, enz. De cursus vraagt nogal wat tijd, daarom hier vandaag alleen een paar korte kanttekeningen bij het gebruik van het ei als middel tot protest, zoals onlangs gedemonstreerd op die scholierendag.

Het was opzichzelf verrassend dat men teruggreep naar zulke klassieke middelen als eieren en tomaten. Nog even en ook de anarchist (wie kent hem nog) staat weer om de hoek van de straat met zo'n rare ronde, zwarte bom met een brandend vuurkoord eraan.

De scholieren gebruikten eieren. Rotte eieren, is wel geschreven maar dat is niet aannemelijk. Er zijn maar weinig manieren om een ei snel rot te krijgen: het snelst gaat het nog door er een bacterieel vervuilde naald in te steken. Maar wie het om stank te doen is kan veel, veel beter gebruik maken van een rauwe aardappel die op de genoemde wijze is aangepikt en een of twee dagen in een kommetje water (met een snufje zout) bij 37 graden heeft staan stoven.

Het waren verse eieren, zoals Paul Rosemöller kan bevestigen. Daarmee gooit men ook beter dan met gas- of luchtgevulde want een goede dracht is sterk afhankelijk van een hoog soortelijk gewicht. Hoe ouder het ei hoe meer vocht er verloren gaat, daarover is in Scientic American van feruari 1979 gedetailleerd gepubliceerd. Makkelijk loopt het gewicht met 15 procent terug.

Met het oog op de gunstige lage doorsnede : inhoud-relatie kiest men ook bij voorkeur grote eieren, eieren van de soort die vroeger wel werd aangeduid met `nullen' en `enen', maar sinds de Europese eenwording met XL en L, zoals bij onderbroeken. Als de kinderarm het verplaatsen kan zonder lanceersnelheid te verliezen moet zeker XL (gewichten boven 73 gram) worden gekozen. Tomaten gooien kan ook, ze zijn vaak veel zwaarder, maar vereisen een hogere impactsnelheid.

Een zo vers mogelijk XL ei dus. Koken is te overwegen: een gekookt ei met een geïmobiliseerde inhoud, heeft een stabielere vlucht. Is het nog goed warm en staat dus de inhoud nog onder druk, dan is het waarschijnlijk ook wat sterker, al zal dat meestal nu net niet de bedoeling zijn.

Tot zover het ei. Het is om een aantal redenen informatief om met behulp van wat formules uit de klassieke mechanica na te gaan welke eisen aan de eiworp worden gesteld: het mondt uit in een interessante experimenteel-archeologische constatering. De volgende reconstructie ontstond voornamelijk vanachter de studeertafel, het gaat dus om de grote lijn.

De `lethal radius' van de meeste handgranaten is volgens `Jane's infantry weapons' een meter of vijftien. Aangenomen wordt dus dat de gezonde infanterist in staat is de granaten, die vaak meer dan 400 gram wegen, minstens een meter of 20 van zich vandaan te werpen. Eieren zijn veel lichter, maar de nog onvolgroeide kinderarm kan natuurlijk minder kracht zetten. We stellen de eis dat adolescente eiwerper het ei 25 meter ver werpt. Uit kleine vrije-val proefjes op een houten vloer leidt men af dat het ei pas goed desintegreert als het vanaf een hoogte van 50 centimeter wordt losgelaten. De impact-snelheid moet dus minstens 3 m/s zijn, leren formules die al een paar eeuw in gebruik zijn. Dat is niet zo heel veel (het is 11 km/h) en het is zeker minder dan de snelheid waarmee het ei wordt weggeworpen. Omdat het ei, als we afzien van het remmend effect van de luchtweerstand, even hard arriveert als het vertrekt wordt aan de impact-voorwaarde eigenlijk altijd onder alle praktische omstandigheden voldaan.

Wat moet de aanvangssnelheid zijn van een ei dat minsten 25 meter ver moet komen? Dat is volgens de genoemde formules ongeveer 16 m/s. Doen we er een schepje bovenop voor de luchtweerstand, die er natuurlijk wel is, dan lijkt een aanvaardbare eis voor de lanceersnelheid: 20 m/s.

Deze snelheid moet worden bereikt in een snelle armzwaai waarbij hand en ei zich ongeveer 1 meter verplaatsen (bij de adolescent wat minder misschien, maar het gaat om de orde van grootte). Hand en ei moeten dus een versnelling ondergaan die de snelheid over dit traject (dat bij het gewone bovenhandse gooien min of meer recht is) opvoert van nul naar 20 m/s. Is de versnelling constant dan moet-ie minstens 200 m/s² zijn. Omdat-ie natuurlijk niet constant is zal hij ergens in het traject veel hoger zijn, mischien wel 300 m/s².

Nota bene. Op het Binnenhof en het Malieveld zijn gewone Hollandse eieren onderworpen aan 30 maal de zwaartekrachtversnelling, of liever gezegd: 30 maal de zwaartekracht, zonder dat ze al in de hand uiteenspatten. Een onverwacht inzicht.

Hoe ver waren de kinderen van zelfbevlekking? Nog heel ver, blijkt uit een schriftelijke reactie op eerder AW-onderzoek. Dr.ir. H.G.B. Allersma van de Delftse faculteit civiele techniek bepaalde lang geleden dat een ei zelfs in ongunstige positie (liggend op de flank op harde rechte ondergrond) wel 300 g kan hebben voor het explodeert.

Nu de veiligheidsmarge zo ruim blijkt loont het de moeite na te gaan of scholieren in voorkomende gevallen niet ook een slinger kunnen gebruiken, zoals Palestijnse leeftijdsgenootjes wel deden tijdens de intifadah. Maar het eigenaardige is dat de slinger voor het eiwerpen geen enkel voordeel heeft. Slaagt men erin een slinger van 1 meter lengte met een tempo van 15 omwentelingen per 5 seconden boven het hoofd te laten draaien dan heeft het weg te werpen projectiel, àls de lancering al lukt, een aanvangssnelheid van 19 m/s. Minder dan waartoe de blote hand kennelijk in staat is. We leiden er uit af dat de voornaamste eigenschap van de slinger (zie www.britannica.com bij `sling') niet is, zoals wordt beweerd, dat hij hoge lanceersnelheden mogelijk maakt maar dat er heel zware projectielen mee te verwerpen zijn. Er wordt immers geen grens gesteld aan de tijd die men uittrekt voor het op toeren brengen van de slinger. De slinger is er voor vleestomaten en grote appels.