DATERING ONDERGANG MINOÏSCHE BESCHAVING VERDER INGEPERKT

Onderzoek van de sedimenten op de bodem van een klein meer in Zuidwest-Turkije maakt het mogelijk de ondergang van de Minoïsche beschaving beter te dateren (Global and Planetary Change 21, blz. 17). Deze beroemde beschaving op Kreta kwam waarschijnlijk tot een einde door een verwoestende vloedgolf die een gevolg was van de zware `ontploffing' van de Thera, een vulkaan op Santorini. Hoewel de uitbarsting van de vulkaan al lang geleden ruwweg kon worden gedateerd (diverse bepalingen liepen uiteen van circa 1750-1350 v.Chr.), bleef een precieze datering achterwege. Weliswaar werden talrijke organische materialen voor C-14 datering gevonden, maar de deskundigen konden die slecht gebruiken doordat de vulkaan ook veel koolstof had uitgestoten dat radiometrische bepalingen beïnvloedde. Dateringen met andere radiometrische methoden van gestolde lava op de vulkaan zelf bracht ook geen duidelijkheid.

Wel kon in 1988 een radiometrische ouderdom van 3110 jaar BP (before present, waarmee bij C-14 dateringen het jaar 1950 wordt bedoeld) worden vastgesteld voor een veenlaagje dat zon 30 cm boven de desbetreffende aslaag werd gevonden, ver van de `vervuilende' vulkaaninvloed, bij Gölcük Gölü in Turkije. De gevonden ouderdom kan wegens allerlei afwijkingen in de C-14-datering niet precies naar jaren voor Christus worden `vertaald', maar bedraagt omstreeks 1500 voor Christus. Die datum geeft dus aan dat de uitbarsting eerder dan 1500 v.Chr. moet hebben plaatsgevonden.

Het nieuwe onderzoek sluit hierop aan. In het tussen de bergen gelegen meertje Gölhisar Gölü in Zuidwest-Turkije werd nu een soortgelijke situatie aangetroffen, maar dan met een veenlaagje juist onder de aslaag (die herkend kon worden als afkomstig van de `Minoïsche uitbarsting' op basis van zijn geochemische karakteristieken. Van het desbetreffende veenlaagje zijn twee monsters met behulp van de C-14 methode gedateerd. De beide monsters bleken tamelijk uiteenlopende ouderdommen te vertonen, wat verklaard kan worden op basis van de diepte waarop de monsters zijn genomen. Het onderste monster (van 59-63 cm diep) gaf een ouderdom van 3330 ± 70 conventionele C-14 jaren BP. Dat komt neer op een statistisch waarschijnlijke ouderdom van 1749-1434 v.Chr. Het bovenste monster (van 13-21 cm diep) leverde een ouderdom op van 3225 ± 45 conventionele C-14 jaren BP, overeenkomend met 1604-1406 v.Chr. Dat er zo'n grote spreiding in de datering zit, en dat er niet een eenvoudiger rekensommetje te maken is, komt doordat de concentratie van koolstof-14 in de genoemde periode een aantal aanzienlijke fluctuaties in de tijd vertoonde, waardoor geen sprake is van een simpele vervalcurve waarmee de nog aanwezige C-14 concentratie kan worden omgerekend naar `echte' jaren.

Uitgaande van het feit dat de aslaag boven het jongste veentje ligt, moet de fatale uitbarsting van de Thera hebben plaatsgevonden na 1604 v.Chr., mogelijk zelfs na 1406 v.Chr. In combinatie met de datering van het boven de aslaag gelegen veenpakket betekent dit dat de Minoïsche beschaving tussen 1604 en ca. 1500 v.Chr. moet zijn verdwenen.