Zout onder een zilveren baldakijn

In 17de-eeuws Amsterdam gaven rijke kooplieden opdrachten voor allerhande sierzilver. Eeuwen is men blijven smeden, in verschillende stijlen.

Misschien wipte Rembrandt aan het eind van die dag even bij hem langs. Hij was net bij patholoog Deijman geweest, had er zijn ogen uitgekeken naar de opengesneden spieren van een dode medemens en kreeg er ook nog een doorkijkje in diens hersenpan, in die weke kwabben van roze, opwellend vlees, een leven lang in toom gehouden door een puntgaaf schedeldak.

Rembrandt kon zijn vriend het avontuur van die anatomische les ongetwijfeld plastisch beschrijven. Want hij had er goed naar moeten kijken om er later een geloofwaardig schilderij van te kunnen maken. Zijn vriend Lutma zweeg, voelde zich misschien wel onbehaaglijk na dat relaas, en schonk een borrel in om de gedachten aan dat snijwerk van die Deijman in te laten sluimeren.

Tòch wilde dat beeld van die hersenpan maar niet wijken. Hij moest iets met die symmetrische kwabben doen, met die harde schil van die slappe massa, met het meest natuurlijke vat dat het leven voortbrengt – maar ja, wat?

Dat `wat' fonkelt nu in een erezaal van het Rijksmuseum. Een ondiepe kom van zilver, ter grootte van een hand – inderdaad, symmetrisch, kwabberig en bollend vormgegeven. Op de plek waar in werkelijkheid het achterhoofd zich hecht aan de nekwervels, komt bij wijze van handvat een schildpadachtig beestje uit een slakkenhuis te voorschijn, dat als een pesterige gedachte zijn kop opsteekt.

Geloof het of niet, maar die `hersenpan' van Lutma is een van de mooiste zilverstukken uit de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam. Wie er geen associaties met een anatomische les bij heeft, en dat hoeft helemaal niet, presenteert er met genoegen bonbons uit. Johannes Lutma (1587-1669), de voor velen onbekende, maar grootste meester van de 17de-eeuwse Amsterdamse zilversmeden, een beeldhouwer èn een goede bekende van Rembrandt, kon je laten geloven dat er schedelkommmen bestaan die soepel als stopverf, en versierd met golven van stroop, uit edelmetaal gekneed werden. De behoedzame welvingen en organische compactheid zijn bijna te mooi om waar te zijn. Zo mooi, dat Rembrandt later van zijn oude, blind geworden vriend een portret etste waarop diezelfde kom als zijn meesterwerk ter zijde op een tafeltje ligt te poseren.

Het Rijksmuseum, dat volgend jaar het twee eeuwen oude bestaan van zijn collectie viert, pakt deze winter alvast uit met zijn goud- en zilverbezit. ,,We gaan stukken afstoten', zegt conservator Jan Rudolph de Lorm, blijkbaar daartoe geënthousiasmeerd na het congres over vervreemding dat eind vorige maand in Amsterdam werd gehouden. Maar er zal geen enkel stuk verdwijnen uit de net voltooide, vuistdikke bestandscatalogus van deze deelcollectie. De Lorm werkte er jarenlang aan, ,,elke dag, net als tandenpoetsen, want zonder discipline komt er niets van terecht'.

De vijfhonderd, tot in de finesses beschreven voorwerpen van edelmetaal blijven waar ze zijn. En dat is meestal in de kelderkluis van het museum, maar nu dus in kleine en vooral in grote, met Venetiaanse weefsels gedecoreerde vitrines. In diezelfde kluis, waar nog genoeg vergulde, kniehoge bokalen en triomfantelijke reliekhouders zijn achtergebleven om een grootse veiling te organiseren, vertelt De Lorm over Amsterdam als 17de-eeuws zilvercentrum van Europa, over het strakke, Engelse zilver dat in de 18de eeuw al dezelfde zakelijkheid kende die het Bauhaus deze eeuw dacht uit te vinden, over de overvloedige, 19de-eeuwse zilverschenkingen van prullen en over zijn net ontdekte vervalsingen; bijvoorbeeld een vroeg 17de-eeuwse beker van een centimeter of acht, waar een vroegere zilver-conservator per ongeluk een vermogen voor neertelde. Het ding is vermoedelijk in het begin van de vorige eeuw gefabriceerd en van valse merken voorzien. Kijkend naar De Lorms ontmaskeringen, zoals de lelijke, scherpe leeuwenkopjes die de beker torsen, denk je meteen dat elke alerte leek destijds die miskoop had kunnen voorkomen.

Continuïteit

De jubileum-tentoonstelling beperkt zich tot het Amsterdamse zilver en goud. Gangbare voorwerpen, zoals trommels, theeserviezen en talloze bestekken, maar ook een arrenslee-tuig, toegedekt met vele, zilveren pioenrozen, en het begrafenisschild, dat een overleden lid van het schoenmakersgilde nog even bij zijn aardse afscheid op de borst mocht meedragen. Aandoenlijk zijn de honderden, draaddunne miniaturen, duur letterbakkenspul, die beroepen en kinderspelen uitbeelden, samengebracht op de trappen van een piramide-vormige vitrine.

Dat alles is meer dan genoeg om langs de zaalwanden fonkelende watervallen van zilvergoed te creëren. Chronologische watervallen, van de strenge laat-renaissance via de wulpse rococo naar de verguisde 19de eeuw. Deze gelaagde buffetten, vol nuttige, maar niettemin misbare tafelchic, doen niet meteen met tekstbordjes uit de doeken welk mosterdpotje waar, wanneer en door wie werd gesmeed. Ze moeten bij de laat-20ste-eeuwse, gemakzuchtige toeschouwer in eerste instantie genotzucht oproepen.

Om te overrompelen staan voorbij de ingang, aan weerszijden, de vroegste, en verreweg verbluffendste objecten in hun eentje opgesteld. Zoals een zestig centimeter lange buffelhoorn, uitgerust met zilveren montuur en getorst door een draak en een leeuw. Bij de dorstige, 17de-eeuwse Doelheren van het Amsterdamse Kloveniersgilde bracht die ongetwijfeld een macho-gevoel van saamhorigheid teweeg. De hoorn is het vroegst bekende zilveren voorwerp voor wereldlijk gebruik dat in Amsterdam gekeurd is.

Een onbekende meester moet omstreeks 1618 eindeloos gepriegeld hebben aan het dertig centimeter hoge, driehoekige zoutvat dat vlakbij de hoorn is geëtaleerd. Het is zo fijnzinnig uitgerust met fabeldieren en miniatuur-naakten dat het je eerder doet denken aan een reliekhouder voor een paar heilige vingerkootjes dan aan een architectonisch tafelstuk. Hoe atletisch moesten de vingers van de kooplieden en hun gasten wel niet zijn om tijdens hun grachtendiners naar het kostbare zout voor hun paté's en pauwenvlees te tasten dat onder de zilveren baldakijntjes van dit zoutvat voor het grijpen lag.

Terwijl in de rest van Europa het hof, de adel en de kerk de mooiste opdrachten aan de zilversmeden verstrekten, waren het in Amsterdam vooral de rijke kooplieden, de gilden en de locale overheden die bestellingen deden. Mensen met lagere inkomens konden zich een zilveren gesp of snuifdoos permitteren. Een anoniem paneeltje uit circa 1660 vertelt hoe ze dan, net als nu, bij de juwelier een keuze moesten maken uit een assortiment van `gegoote en gestampt kleyn werk' – schalen en bokalen, koralen halssnoeren en parelmoeren oorhangers.

Natuurlijk werd er ook toen al gerommeld met het goud- en zilvergehalte. Keurmeesters voerden controles uit en kashouders bemiddelden tussen werkplaatsen en winkels. De import van Engels zilver werd om protectionistische redenen aan banden gelegd en `buytenluyden in andre steden en naarst geleegen dorpen of plaetsen woonaghtig, die noch 't burgerrecht, nogh 't gildt hebben, noch aen Eede gebonden syn', kregen het van erkende vaklui flink voor hun kiezen.

Schaamteloos

Met de Amsterdamse zilverhandel viel niet te spotten. Zilver was geld en modegevoelig. Om die reden is menig vroeg object schaamteloos omgesmolten. Voordat de vlammen er aan te pas kwamen, stelde de winkelier bij de ingang van zijn zaak de stukken achter tralien tentoon, zodat gestolen waar op de valreep kon worden teruggevorderd. ,,De Britten hebben hun zilver bewaard', vertelt De Lorm, ,,daar begint het leven niet opnieuw bij elke volgende generatie.'

Vele buitenlandse edelsmeden trokken als allochtonen naar het welvarende Amsterdam en brachten hun eigen stijlen en technieken mee. En daarom duikt er nog wel eens iets bij een onbenullige veiling op dat niet als bijzonder of typisch Amsterdams herkend wordt. Dat overkwam De Lorm onlangs in Salisbury met een zogenaamd specerijenservies: twee strooiers, een zoutvat en een kannetje, alle in de zeldzame vorm van een dennenappel, en gemaakt door de Duitse edelsmid Anthonie Grill, die zich samen met zijn broers omstreeks 1630 in Amsterdam had gevestigd. Alleen het Kremlin in Moskou bezit nog een enigszins gelijkend ensemble. De meeste andere Grill-producten verdwenen van de aardbodem.

In de eeuwen die volgden breidde het assortiment zich uit en zou er veel meer bewaard blijven dan voorheen. Aspergetangen, suikerstrooilepels, mergboren, theebussen, tabaksdozen, inktstellen en spoeldozen – de zilversmid zorgde er zelf wel voor dat de kooplust bleef opborrelen. Al die objecten liggen nu in zowel weelderige, Franse genres als in de latere, strenge empire en neoclassicistiche modes in afzonderlijke `stijl'-vitrines bijeen. Het vergt kijkroutine om in die `mer à boire' net die ene mooie rammelaar of snuiterschaar in de gaten te krijgen. `Peanuts', trouwens, vergeleken met de zilveren fontein die kapitein Cornelis Schrijver in de 18de eeuw van de Verenigde Oostindische Compagnie cadeau kreeg, of met de flamboyante schaal waarmee admiraal Maarten Harpertsz Tromp in de prijzen viel, nadat hij aan de kust bij Duinkerken het piratentuig had uitgeschakeld.

Met Tromp zijn we opnieuw terug in de 17de eeuw. Het beeldhouwkunstige niveau van de zilversmeedkunst uit die tijd werd later niet meer geëvenaard. De Hollander hield meer van strakke lijnen, van ingetogen decoraties, van een enkel randje met gestileerde bloemmotiefjes. Aan de `show off' van baldadige en wellustige pronkstukken, van heupwiegend zilver, mag men in Frankrijk even zijn hart ophalen. Thuis is alles anders: geen opsmuk asjeblieft, maar broodnuchtere koffiekannen en theeserviezen, praktisch en recht-toe-recht-aan, met – nou ja, vooruit – een sierknopje op het deksel. Johannes Lutma had ze maar al te graag onder handen genomen. Kijk bij uitgang nog maar even om naar zijn twee zoutvaten, ovalen bakjes, gedragen door putti die spelevaren op geabstraheerde dolfijnen. Alles zweemt hier naar beweging, sierlijk en meeslepend als het handgebaar van een Stervende Zwaan.

Tot 26/3/00. Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Open: 10-17 uur; 1/1/00 gesloten. Bestandscatalogus, 560 pag. 1.550 illus. fl. 150,--.